Ik wil aan de hand van een paar voorbeelden duidelijk maken hoe referentiekaders bepalen hoe iemand reageert, zonder naar de inhoud te kijken van wat er gezegd of geschreven wordt. Reageren vanuit referentiekaders verhindert het maken van een verbinding.
Mijn eerste boek is ‘Een menselijke economie’. Het werd gepubliceerd in 2009. De titel van het boek verried mijn motivatie. In mijn ogen ontbrak menselijkheid in de economie. Ik had een milde kritiek op banken en op de dominante rol van geld in de samenleving.
Om de betrekkelijkheid van geld te laten zien had ik een stripverhaal van Dagobert Duck gebruikt. Een tornado had al het geld van oom Dagobert uit het pakhuis gezogen en vervolgens kwam overal verspreid geld uit de lucht vallen. Plotseling was iedereen rijk. Niemand wilde nog werken. Het gevolg was dat er geen brood meer was, geen groente, geen pompstation en geen restaurant dat open was. Iedereen had koopkracht die alleen in theorie bestond, want het geld kon niet worden uitgegeven. Totdat Dagobert dat wat er niet was aanbood en er stond al snel een lange rij bij zijn winkel. Hij verkocht de producten voor zeer hoge prijzen, bijvoorbeeld duizend dollar voor een ei. De mensen waren boos, maar kochten het toch omdat de honger sterker was dan het bezit van geld. Op deze manier vulde Dagobert snel weer zijn geldpakhuis. Iedereen ging weer aan het werk en de kapitalistische orde was hersteld.

In een recensie over dit boek werd geschreven dat het ‘aardig en idealistisch’ was, maar dat ik ‘gebruik maakte van kinderachtige stripverhaaltjes’ wel een belangrijk minpunt was. Hierdoor werd ik voor het eerst in mijn schrijverschap geconfronteerd met het reageren vanuit referentiekaders. Dagobert Duck is voor kinderen en economie is een serieus onderwerp. Vorm boven inhoud.
Later, in 2016 gaf ik ‘Hanneke de Vries leent geld van de bank’ uit. Het ging over een jonge vrouw, die geld van de bank leende om een huis te kopen. Toen ze later een lager betaalde baan kreeg, werd ze door de bank gedwongen om haar huis te verkopen. Het boek is geïllustreerd door Andrea Kruis, een dochter van Jan Kruis van ‘Jan, Jans en de kinderen’. Haar illustraties sloten prachtig aan op de tekst. Ik woonde toen in Amsterdam en vroeg een boekwinkel in de buurt of ze dit boek wilden verkopen. ‘Nee, we verkopen geen prentenboeken voor volwassenen’, was het antwoord van de eigenares. Ook dit is een sprekend voorbeeld van reageren vanuit een referentiekader. Zonder zich te willen verdiepen in het boek zelf.
Deze twee voorbeelden staan niet op zichzelf. Ook in de reacties die ik op mijn posts op de sociale media kreeg was reageren vanuit een referentiekader vaak aan de orde. De afgelopen jaren is dat nog duidelijker geworden. Er zijn nog maar weinig mensen die zich eerst op de hoogte stellen van de inhoud van het blogartikel of van de post, voordat er wordt gereageerd. Een woord is vaak al voldoende. Zoals dit, bijvoorbeeld: ‘Wie bedoelt deze man met , we?’ op een post van Blckbx op LInkedin, waarop op een foto van mij staat geschreven: ‘Onze industrie helpen we om zeep’. Vanuit zijn referentiekader stuitte de reageerder op het woord ‘we’. Niet eerst de context begrijpen door naar het interview te kijken, maar ‘deze man’ noemen als een object dat iets uitkraamt.
Het lijkt erop dat de emmers zo vol zijn geraakt bij veel mensen, dat er geen druppel meer bij kan en dat daardoor de interesse en nieuwsgierigheid ontbreekt om kennis te nemen van iets wat misschien nieuw is. Niet inhoudelijk reageren, geen vragen stellen, is gewoon geworden. Misschien komt dit omdat veel hoofden zo vol zitten met informatie dat er alleen nog kan worden gereageerd vanuit de informatie die erin is gestopt. Niet vanuit eigen waarneming en evenmin vanuit eigen denken.
Dit is de reden waarom ik van positioneren naar waarnemen ben gegaan. Positioneren betekent dat ik er ‘middenin’ zit. Ik maak dan deel uit van de acteurs die op het toneel het spel spelen. Een spel zonder uitkomst, want wat de een vindt wordt door de ander verworpen. De sociale media en AI zijn er zeer bedreven in geraakt om partijen tegen elkaar uit te spelen, want dat levert belangstelling op. Niet voor waar het om gaat, maar om het voeden van de al aanwezige emoties van angst, woede, boosheid, verdriet et cetera. De emoties zijn de magneten die bijpassende informatie aantrekken. Zo worden de hoofden gevuld met ‘zie je nu wel’ gedachten en gaan mensen denken dat ze begrijpen hoe ‘het’ in elkaar zit. Alleen degenen die handig op die emoties inspelen worden nog gehoord.
Toen ik dit mechanisme ging begrijpen, trok ik mij terug uit het positioneren. Ik verloor daardoor niet mijn belangstelling voor hoe we tot een menswaardige economie en samenleving kunnen komen. Anders dan ik deed, bekijk ik het vanachter mijn eigen ogen en gevoed door mijn eigen, oorspronkelijke denken. Ook dit is een proces dat niet kan worden voltooid door een knop om te draaien. Ik moet steeds weer een beroep doen op mijn bewuste zijn, om niet met de muziek van de ander mee te gaan. Dit proces heeft mij doen omschakelen van het schrijven van non-fictie naar fictie. Fictie schrijven betekent voor mij dat ik de lezers van mijn boeken iets kan aanbieden, waarin geen dwang of sturing zit. Het kan naar eigen smaak worden gelezen en als het boek het eigen denken bevordert, dan geeft mij dat vreugde.
Met dit artikel heb ik duidelijk willen maken dat mijn ontwikkeling in de afgelopen jaren geen breuk vormt met het voorgaande. Mijn belangstelling voor een menswaardige samenleving is er nog steeds. Door mensen te inspireren om naar hun autonome zelf op zoek te gaan, denk ik dat ik daaraan meer bijdraag, dan door te positioneren. De reacties op de eerste twee boeken die ik in 2026 heb geschreven zijn inspirerend en hoopgevend. ‘Tussen leven en leugen’ en ‘De weg naar vrijheid’ hebben beide veel lezers verdieping in zichzelf gebracht. Het derde boek ‘Brigg’ is nu naar de drukker. Mijn meelezers zijn er enthousiast over.
Ad Broere