
Weer waarnemen
Ik houd me al sinds mijn jeugd bezig met het weer.
Ik heb er boeken over gelezen en me verdiept in weerpatronen: hogedrukgebieden en lagedrukgebieden, hun ligging en het tempo waarin zij zich verplaatsen.
Langjarige waarneming maakte bepaalde patronen herkenbaar.
Hogedrukgebieden boven Scandinavië waren in de winter vaak aanleiding tot vorst. Door transportkoude vanuit het oosten, soms tot ver uit Siberië. Deze hogedrukgebieden bleven geregeld wekenlang op hun plaats.
Er waren ook winters waarin lagedrukgebieden vanaf de oceaan zorgden voor natte en zachte omstandigheden. Niet elke winter verliep hetzelfde. Maar zowel koude als zachte winters kenden doorgaans een zekere stabiliteit. Het weerbeeld bleef herkenbaar binnen het verloop van een seizoen.
In de afgelopen decennia is daarin iets veranderd.
Wat waarneembaar is, is dat deze stabiliteit grotendeels is verdwenen.
Vaste patronen maken plaats voor een grotere mate van grilligheid. Het weer lijkt zich minder te hechten aan langdurige configuraties. Deze indruk beperkt zich niet tot Nederland, maar strekt zich uit over het Europese continent.
Hieraan wordt geen conclusie verbonden.
Het wordt waargenomen.
Die waarneming wordt versterkt door de weersverwachtingen. De veertiendaagse verwachting van twee weken geleden blijkt vaak sterk te verschillen van de feitelijke ontwikkeling. Wat werd aangekondigd als een koude en zonnige periode, ontwikkelt zich tot een kwakkelperiode met grote temperatuurverschillen — zelfs binnen het kleine Nederland.
Opvallend is niet dat verwachtingen veranderen, maar hoe dat gebeurt en de taal waarmee zij worden gepresenteerd. Eerdere verwachtingen verdwijnen geruisloos. Er wordt zelden terugverwezen naar wat eerder werd voorzien en hoe dat zich heeft ontwikkeld. De waarneming van verschil wordt niet expliciet benoemd, maar opgenomen in nieuwe uitleg.

Twee vragen, de ene opent en de andere sluit.
De eerste: Wat zie je op deze afbeelding?
De tweede : ‘Wat is het?’
Zo ontstaat een verschuiving.
Wat eerst wordt waargenomen, wordt daarna ingepast.
De ervaring maakt plaats voor duiding.
Daarmee verdwijnt de waarneming niet.
Zij raakt op de achtergrond.
Niet alleen het weer zelf kan worden waargenomen, maar ook dit proces:
hoe onzekerheid verschijnt,
hoe zij wordt benoemd,
en hoe uitleg de plaats inneemt van ervaring.
In die zin wordt het weer een oefening in waarneming.
Niet vanwege wat het verklaart,
maar vanwege wat het laat zien.
Ad Broere
Mijn blogartikelen zijn gebaseerd op vrijwilligheid