een vernieuwende visie op mens, geld en waarde

De olieprijs en het monster

Hoge prijzen houden de gemoederen in beroering. De koopkracht staat bij velen onder druk. Het valt mee, zeggen de autoriteiten. Dat komt vooral omdat er van gemiddelden wordt uitgegaan, zonder iets te zeggen over wat er aan de onderkant van het gemiddelde aan de hand is. In dit artikel kijk ik naar wat er werkelijk gebeurt en hoe het anders zou kunnen.

Olieprijzen

Wie in 2026 regelmatig benzine tankt, ziet de prijs aan de pomp weliswaar variëren, maar per saldo oplopen. De gemiddelde prijs van Euro95 bedroeg op 18 juni €2,204 per liter. Op 1 juli was dat €2,220 en op 20 juli €2,341. In iets meer dan een maand kwam er bijna veertien cent per liter bij.

Je zou kunnen denken dat zo’n prijsstijging vooral het gevolg is van hogere kosten voor het winnen, vervoeren en raffineren van olie en van schaarste, maar zo eenvoudig ligt het niet.

De olieprijs reageert sterk op verwachtingen. Berichten over oplopende spanningen in het Midden-Oosten, problemen met de scheepvaart door de Straat van Hormuz of juist mogelijke overeenstemming tussen de Verenigde Staten en Iran kunnen binnen korte tijd grote prijsbewegingen veroorzaken. Op 4 augustus daalde Brentolie bijvoorbeeld op één dag met ruim vijf procent na berichten over mogelijke vooruitgang in het conflict. Enkele dagen later steeg de olieprijs weer met ongeveer vijf procent toen die verwachtingen omsloegen.

De olie die al uit de grond is gehaald, is daardoor niet ineens duurder geworden om te winnen. Wat verandert, is de verwachting over wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren. En op die verwachting wordt gehandeld.

Er gebeurt nog iets. Een stijging van de olieprijs wordt sneller in de benzineprijs verwerkt dan een daling. De Autoriteit Consument & Markt heeft dit verschijnsel voor Nederland onderzocht. Het staat bekend als *rockets and feathers*: prijzen gaan als een raket omhoog en komen als een veertje naar beneden. Dat is interessant, want daardoor kan na iedere periode van sterke prijsbewegingen een deel van de verhoging langer in de pompprijs aanwezig blijven.

We moeten daarbij wel oppassen met de conclusie dat de Nederlandse benzineprijs gedurende heel 2026 alleen maar is gestegen. Dat blijkt niet uit de cijfers die ik heb bekeken. Wat we wél zien, is dat de prijs vanaf midden juni sterk omhoogging: van €2,20 naar ruim €2,34 per liter in enkele weken.

Bron: Shell

Waarde en prijs

De vraag is wat hier eigenlijk gebeurt. Olie heeft waarde omdat mensen er iets mee kunnen. Zij wordt gewonnen, vervoerd en geraffineerd. Van olie worden brandstoffen en talloze andere producten gemaakt. Daar zijn mensen, kennis, machines, energie en arbeid voor nodig.

Rond die reële economie waar mensen geld verdienen door te werken, bestaat echter een financiële economie. Het zou te simpel zijn om te stellen dat daar wordt verdiend door geld voor zich te laten werken.  Op termijnmarkten wordt bijvoorbeeld gehandeld in contracten die betrekking hebben op olie die pas later geleverd hoeft te worden. Daar is op zichzelf niets vreemds aan. Een luchtvaartmaatschappij bijvoorbeeld kan zich daarmee beschermen tegen een toekomstige stijging van de brandstofprijs. Een producent kan zekerheid zoeken over de prijs die hij later voor zijn olie krijgt.

Maar dezelfde markt maakt het ook mogelijk geld te verdienen aan de beweging van de olieprijs zonder zelf olie te winnen, te vervoeren of te raffineren. Olie wordt daarmee tegelijkertijd grondstof en financieel object. En dat geldt niet alleen voor olie, ook voor gas, graan, koffie, metalen, zoals goud en zilver en veel andere grondstoffen.

Op het moment dat de prijs van zulke grondstoffen stijgt, gebeurt er vervolgens iets in de reële economie. De transporteur betaalt meer voor zijn brandstof, de bakker meer voor zijn meel, de fabrikant meer voor grondstoffen en uiteindelijk betaalt de consument de rekening via hogere prijzen. Financiële markten staan dus niet los van het dagelijkse leven.

Mart Productions, Pexels rechtenvrij

Geld met geld verdienen

We gebruiken een merkwaardige uitdrukking voor mensen die voldoende vermogen hebben opgebouwd. Zij kunnen hun geld voor zich laten werken. Maar geld werkt niet. Mensen werken. Machines produceren. Een boer verbouwt voedsel. Een vrachtwagenchauffeur vervoert goederen. Een verpleegkundige verzorgt patiënten. Een timmerman bouwt een huis. Daar wordt waarde gecreëerd.

Een probleem daarbij is, dat wie nauwelijks meer inkomen heeft dan nodig is voor wonen, voeding, energie, verzekeringen en andere vaste uitgaven, kan moeilijk vermogen opbouwen. Wie al over aanzienlijk vermogen beschikt, bevindt zich in een heel andere positie. Dat vermogen kan worden belegd in aandelen, obligaties, vastgoed, grondstoffen en andere bezittingen. Vermogen kan daardoor nieuw vermogen voortbrengen.

Het is te simpel om daarvan een tegenstelling tussen rijke en arme mensen te maken. Het gaat om het mechanisme, dat door de mens zelf is gecreëerd. Het is een monster, waarbij op het voorhoofd staat geschreven: ‘Macht’, ‘Hebzucht’, ‘Eigenbelang’ en ‘Kortzichtigheid’. Deze magische woorden hebben het monster tot leven gewekt en het beheerst het handelen van velen.

We hebben een economie opgebouwd waarin het bezit van geld niet alleen toegang geeft tot mogelijkheden om meer geld te verwerven, maar ook macht geeft aan de bezitter over anderen.

Als iemand op één dag een groot bedrag verdient door financiële activa op het juiste moment te kopen en te verkopen, noemen we dat economisch succes. Als een moeder een dag voor haar kinderen zorgt, wordt er geen inkomen geregistreerd. Als iemand boodschappen doet voor een oude buurman, ontstaat er geen meetbare economische groei. Als een verpleegkundige een zieke verzorgt, ontvangt deze salaris. De werkelijke waarde van wat de verpleegkunde doet door aandacht te geven aan een patiënt, laat zich moeilijk vertalen in economische prestatie.

Toch gebeurt in al deze gevallen iets wezenlijks: mensen doen iets waaraan een ander behoefte heeft. Dat noem ik waardecreatie. Ons materiële welzijn komt uiteindelijk voort uit onze bereidheid om iets voor elkaar te doen. De bakker bakt brood omdat andere mensen brood nodig hebben. De timmerman maakt een tafel omdat iemand een tafel wil gebruiken. De arts behandelt een patiënt omdat die patiënt hulp nodig heeft. Geld maakt het mogelijk om al die verschillende vormen van waarde met elkaar uit te wisselen, maar geld zelf creëert die waarde niet.

Een andere volgorde

Hier ligt volgens mij een van de fundamentele problemen van de economie, zoals wij die collectief hebben voortgebracht. . We zijn de volgorde gaan omdraaien. In plaats van ‘eerst waarde en dan geld’, denken we in onze huidige maatschappij ‘eerst geld en dan waarde’.

Er moet eerst geld zijn, zoals een hypotheek om een huis te kopen en een lening om een bedrijf te kunnen beginnen. En er moet winst worden gemaakt. Een investering moet geld opleveren, want de schuldeiser wil de lening terugbetaald zien met rente en de aandeelhouder verwacht dividend. Een onderneming wordt daarom beoordeeld op haar financiële resultaat.

Daardoor is het aantrekkelijker geworden om geld  met geld te verdienen dan door zelf iets te produceren of een dienst te leveren waaraan een ander werkelijk behoefte heeft.

Dit heeft gevolgen voor de manier waarop geld zich door de samenleving beweegt. Wie vermogen heeft, kan geld ontvangen en dat opnieuw beleggen. Wie uitsluitend van zijn werk leeft, gebruikt een groot deel van zijn inkomen om de kosten van het dagelijks leven te betalen. Zo kan geld zich steeds sterker concentreren bij degenen die al over vermogen beschikken. Het bijzondere is dat we dit normaal zijn gaan vinden.

De rol van de overheid kan in dit verband niet worden veronachtzaamd. De uitgaven die de overheid doet – of je het met die uitgaven eens bent of niet – worden bekostigd vanuit de belastingen. Het kan daarom niet duidelijk genoeg worden benadrukt dat de belastingbetaler de overheid in staat stelt om die uitgaven te doen. Ook al kan de overheid het doen voorkomen dat dit niet het geval is, zoals: ‘de overheid gaat investeren in defensie.’

In het streven om belastinggeld te vergaren heeft de overheid bijvoorbeeld ook een financieel belang bij autobrandstof. Van iedere liter benzine die we tanken bestaat een aanzienlijk deel van de prijs uit belasting. In 2026 bedraagt alleen al de accijns op benzine ongeveer €0,79 per liter. Daarnaast wordt btw van 21 procent geheven op iedere liter die in de tank wordt gepompt.

Dit betekent dat bij een stijgende literprijs ook het bedrag aan btw per verkochte liter stijgt. Daarmee zeg ik niet dat de overheid de hoge benzineprijs veroorzaakt. Wel betekent het dat overheid voordeel heeft van een stijgende benzineprijs.

Ik houd me al lang bezig met de vraag hoe we het eerdergenoemde monster kunnen temmen. Daarbij pleit ik er niet voor om geld af te schaffen, wel om onze afhankelijkheid van euro’s kleiner te maken. Want zolang vrijwel al onze dagelijkse transacties in euro’s plaatsvinden, blijven we euro’s nodig hebben.

Werkelijke verandering

In 2023 publiceerde ik via Humane Economy Publishing een korte animatiefilm. Met de weinig animerende titel ‘Over vrije ruilhandel en het oude gelddenken’. De bedoeling van de video was niet om op ruilhandel over te gaan, maar om onafhankelijkheid van de euro te bevorderen. Dat kan alleen lukken door bedrijven erbij te betrekken en bedrijven kunnen pas meedoen als ze niet in de problemen komen met hun euro uitgaven.

Om een werkelijke verandering teweeg te brengen is het nodig dat er allereerst iets tussen onze oren verandert. Die verandering is samengevat ‘van denken vanuit geld naar denken vanuit waarde’.  Het besef dat de mensen die werken degenen zijn die waarde creëren en daardoor zeggenschap hebben over wat er met de opbrengst daarvan gebeurt, is de basis voor de ontwikkeling van een samenleving van mensen die op basis van vrijheid met elkaar samenwerken.

Ad Broere

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

error: Content is beschermd!!