Wat kunnen we eigenlijk zeker weten?
Pensioen gaat over de toekomst.
Voor veel mensen voelt pensioen als iets abstracts:
iets van later, geregeld door anderen, vastgelegd in regels en modellen.
Toch raken de keuzes die nu worden gemaakt iedereen — jongeren, werkenden en gepensioneerden.
Daarom is het goed om één stap terug te doen
en een paar eenvoudige vragen te stellen.
Niet om te overtuigen, maar om te begrijpen.
De vraag die zelden hardop wordt gesteld, is deze:
hoe zeker is die toekomst eigenlijk?
In het Nederlandse pensioenstelsel werd lange tijd gewerkt met één collectieve belofte:
een zo goed mogelijk pensioen, waarbij risico’s werden gedeeld — tussen jong en oud, tussen generaties, tussen wie kort leeft en wie lang leeft.
De uitkomst was nooit exact te voorspellen, maar het uitgangspunt was solidariteit.
Een verschuiving in denken
Al vóór de invoering van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) veranderde dit denken.
Toekomstige pensioenuitkeringen werden steeds meer behandeld als financiële verplichtingen die vandaag al moesten worden gewaardeerd.
Daarbij werd gebruikgemaakt van een methode uit de financiële markten:
de rentetermijnstructuur.
Wat betekent dat?
Elke toekomstige pensioenuitkering wordt behandeld als een afzonderlijke belofte waarvan de waarde wordt omgerekend naar vandaag. Zo ontstaat de suggestie dat de toekomst kan worden vastgelegd in rentes en contracten — terwijl zij in werkelijkheid onzeker blijft.
Niet met één rente, maar met een reeks rentes, bijvoorbeeld:
- een rente voor 5 jaar vooruit
- een andere voor 10 jaar
- weer een andere voor 20, 30, 40 tot soms 50 jaar vooruit
Voor elke termijn geldt:
hoe verder de uitkering in de toekomst ligt,
hoe lager de rente waarmee wordt gerekend.
Dat is geen toeval, maar een weerspiegeling van risico:
- niemand weet hoe de wereld er over 40 of 50 jaar uitziet
- inflatie, economische groei, oorlogen, technologie en demografie zijn onzeker
- hoe groter de onzekerheid, hoe minder bereidheid om vandaag extra beloning te geven
Wat iets in de verre toekomst waard is,
laat zich niet vastleggen in een prijs van vandaag.
Wat is er met de Wtp veranderd?
Niet de rekenrente zelf — die werd al langer toegepast.
Wat wel verandert, is hoe deze manier van rekenen wordt doorvertaald naar individuen.
In het nieuwe stelsel wordt het pensioen van iedere deelnemer behandeld als een persoonlijk contract, opgebouwd uit een hele reeks toekomstige uitkeringen. Elk deel van die reeks wordt apart omgerekend met de bijbehorende rente.
Voor uitkeringen die ver in de toekomst liggen (30 jaar of meer) geldt:
- de rente is zeer laag
- soms praktisch nul
- er zijn nauwelijks marktpartijen die dit risico willen dragen
Toch moet het geld om die uitkeringen later te kunnen betalen nu al worden gereserveerd.
Zo ontstaat een situatie waarin steeds meer vermogen wordt vastgezet voor een verre toekomst, terwijl dat vermogen nauwelijks nog kan bijdragen aan groei of koopkracht in het heden.
Het gevolg
Steeds meer pensioenvermogen wordt:
- gereserveerd voor een verre, onzekere toekomst
- vastgezet tegen minimale beloning
- onttrokken aan flexibel vermogensbeheer
Dat geld kan niet:
- worden ingezet voor indexatie
- meegroeien met de economie
- compenseren voor inflatie
- dienen als buffer bij schokken
Ondertussen groeien de verplichtingen verder:
- doordat mensen langer leven
- en doordat eerder koopkrachtverlies niet automatisch wordt hersteld
De koopkracht die in het verleden is aangetast,
wordt daarmee bevroren.

Waar schuurt het?
Niet omdat pensioenfondsen geen vermogen hebben — integendeel.
Zelfs bij matig of slecht beheer is het totale pensioenvermogen over decennia gegroeid.
Het schuren zit in het model:
- toekomstige beloftes worden behandeld alsof ze vandaag volledig vastgelegd kunnen worden
- risico wordt niet gedragen, maar “weggerekend”
- onzekerheid vertaalt zich in steeds lagere rendementen
- die lage rendementen dwingen tot steeds hogere reserveringen nu
Zo ontstaat een systeem dat zichzelf bevestigt.
De kern
De toekomst laat zich niet vastleggen.
Niet in contracten.
Niet in rentes.
Niet in modellen.
Wat resteert is een theoretische zekerheid,
ten koste van praktische veerkracht.
De toekomst kan niet worden vastgelegd —
alleen benaderd met besef van onzekerheid.
Pensioen uitgelegd – Vraag & Antwoord
1. Was de rekenrente er al vóór het nieuwe pensioenstelsel?
Ja. Pensioenfondsen gebruiken al jaren de rentetermijnstructuur om toekomstige uitkeringen naar vandaag om te rekenen.
2. Wat is er dan wél nieuw in de Wtp?
Dat deze manier van rekenen direct wordt vertaald naar persoonlijke pensioenpotten. De onzekerheid van de toekomst komt daarmee nadrukkelijker bij de deelnemer te liggen.
3. Wat is de rentetermijnstructuur in eenvoudige woorden?
Een overzicht van rentes voor verschillende looptijden. Hoe verder in de toekomst, hoe lager de rente.
4. Waarom is die rente lager voor verre termijnen?
Omdat het risico groter is. Niemand wil vandaag extra betalen voor iets dat pas over tientallen jaren geleverd moet worden.
5. Wat betekent dit voor pensioenfondsen?
Dat zij voor verre toekomstige uitkeringen nu al veel geld moeten reserveren, terwijl dat geld nauwelijks rendement oplevert.
6. Wat betekent dit voor deelnemers?
Minder ruimte voor indexatie, minder flexibiliteit en een grotere afhankelijkheid van een theoretisch model.
7. Waarom groeit het pensioenvermogen dan toch?
Omdat beleggen over lange perioden werkt. Maar dat effect wordt in het model grotendeels “weggedisconteerd”.
8. Wat is de kern van de kritiek?
Niet dat pensioenfondsen arm zijn, maar dat onzekerheid wordt behandeld alsof zij kan worden vastgelegd.
Waarom zijn contracten voor de lange termijn problematisch?
Voor elk rentecontract geldt hetzelfde basisprincipe:
er is altijd een koper en een verkoper.
Bij korte en middellange looptijden — 5, 10 of 15 jaar — werkt dat goed.
Er zijn genoeg partijen die dit risico willen dragen.
Maar bij zeer lange looptijden — 30, 40 of 50 jaar — neemt het risico sterk toe.
Fouten zijn niet meer te herstellen.
Daarom haken vrijwel alle marktpartijen af:
- banken
- verzekeraars
- professionele beleggers
Wat blijft er over?
👉 De pensioenfondsen zelf.
Zij worden tegelijkertijd:
- gebruiker van deze rentecontracten
- en — indirect — elkaars tegenpartij
De markt waarop zij hun risico proberen af te dekken,
bestaat daardoor steeds meer uit henzelf.
De implicatie
- de lange rente wordt bepaald door dezelfde partijen die haar gebruiken
- het systeem bevestigt zijn eigen aannames
- de lange rente zakt structureel weg
Niet omdat de economie dat vraagt,
maar omdat er geen echte tegenpartij meer is.