Als econoom neem ik waar dat in de economie vooral technisch wordt gezocht naar verklaringen voor inflatie. Zo luidt een gangbare beschrijving:
‘als de prijzen van goederen stijgen, terwijl er niets verandert aan de samenstelling van de goederen, spreken we van inflatie. Door inflatie wordt geld minder waard; er is meer geld nodig om hetzelfde te kopen.’
De economie analyseert en verklaart. Maar juist daardoor blijft buiten beeld wat inflatie is. Niet als rekensom, maar als verschuiving in de verhouding tussen mens, geld en werkelijkheid.
Inflatie is een verstoring in de verhouding tussen waarde, belofte en vertrouwen. Het wordt zichtbaar wanneer geld zijn anker in de werkelijkheid verliest.
Geld is geen waarde in zichzelf. Het is een belofte:
dat wat je vandaag ontvangt, morgen nog ongeveer dezelfde verhouding heeft tot arbeid, goederen en leven.
Inflatie ontstaat wanneer deze belofte structureel wordt overschreden.
Wanneer bezit stijgt omdat geld daalt
Veel huiseigenaren herkennen het: hun huis wordt elk jaar “meer waard”, en tegelijk stijgt de belasting die ze daarvoor moeten betalen. Dat klinkt logisch — wie rijker wordt, kan meer bijdragen. Toch wringt er iets.
Want wat is er eigenlijk gestegen? De stenen zijn niet veranderd. De ruimte is dezelfde. Het huis is niet groter of beter geworden.
Wat wél is veranderd, is de waarde van geld.
Waardestijging of geldontwaarding?
Wanneer prijzen in het algemeen stijgen, spreken we van inflatie. Dat betekent niet dat alles méér waard wordt, maar dat geld mínder waard wordt. Je hebt meer euro’s nodig om hetzelfde te kopen.
In beleidstaal heet dat: waardestijging van onroerend goed. In werkelijkheid is het vaak: waardedaling van geld. Toch wordt die papieren stijging behandeld alsof zij echte winst is.

Hoe beleidstaal dit verpakt
De overheid spreekt in termen van: “marktwaarde”, “herwaardering”, “objectieve taxatie”, “evenwichtige belasting van vermogen”
Die woorden klinken neutraal en technisch. Ze suggereren dat er iets nieuws is ontstaan. Maar vaak is er niets ontstaan — behalve een ander getal op papier.
De taal maakt van een verandering in meeteenheid een verandering in bezit.
En dat verschil is cruciaal.
Wat inflatie voor de overheid betekent
De overheid heeft veel schulden. Die schulden staan vast in euro’s.
Door inflatie worden die euro’s minder waard. Daardoor wordt de schuld lichter, zonder dat er hoeft te worden afgelost.
Tegelijkertijd stijgen de papieren waarden van bezit en stijgen de belastingen daarop mee.
Zo gebeurt er twee keer hetzelfde: overheidsschulden verdampen en bezit wordt zwaarder belast.
Waarom dit zelden zo wordt gezegd
Omdat het systeem alleen soepel loopt zolang: inflatie wordt gepresenteerd als “normaal”, waardestijging voelt als vooruitgang en belasting klinkt als een technisch gevolg.
Beleidstaal verzacht wat er gebeurt. Ze spreekt over cijfers, niet over verhoudingen.
In één zin
Je zou het ook zo kunnen zeggen:
De overheid maakt geld minder waard, noemt dat een stijging van de waarde van jouw bezit, en belast je vervolgens op die papieren winst.
Dat is geen aanklacht. Het is een beschrijving.
En beschrijven — dat is waar waarnemen begint.
Ad Broere