Het was een overdekte hal met rijen kraampjes: kleding, handwerk, lekkernijen, kunst, huisgemaakte producten en nog meer. Mijn vrouw en ik liepen er rond. Buiten regende het. In de hal klonken stemmen, vermengd met gesprekken en voetstappen op de zandvloer.
Toch was er iets wat zich niet liet labelen als gezellig. Er waren redelijk veel mensen, maar nauwelijks kopers.
Verkopers die soms van ver waren gekomen, stonden daar uren — twee dagen achter elkaar — en hun blik drukte zowel verwachting als teleurstelling uit. De kou, de lange uren van wachten en de geringe verkoop deden hun werk.
Ik had twintig euro op zak. Na vijf euro parkeergeld hield ik vijftien over.
We kochten een mooi kussen bij een vrouw die duidelijk aan het uitverkopen was en wat chocola. Verder doneerden we ons muntgeld aan vrouwen die zich inzetten voor Gambia.
Daarmee waren onze mogelijkheden voor die dag uitgeput. Niet omdat we niet meer zouden willen kopen, maar omdat meer geld op die dag niet beschikbaar was.
Door de uiterlijke presentatie — de kleuren, de vrolijkheid — heen voelde ik hoe weinig er voor de verkopers was om werkelijk blij van te worden.
Wat mij daarbij trof, was niet de tegenvallende verkoop op zichzelf. Dat kan gebeuren. Het was de verhouding die zichtbaar werd: zoveel inzet, zoveel aanwezigheid — en zo weinig financiële ruimte om daarop te antwoorden. Niet alleen bij de verkopers, maar ook bij ons als bezoekers. De bereidheid was er, maar de middelen niet.
Op zo’n moment wordt iets zichtbaar dat verder reikt dan een middag in een hal. Het raakt aan een patroon dat zich breder aftekent: waarde wordt voortgebracht, maar het geld beweegt zich naar elders. Niet naar waar moeite wordt gedaan, maar naar waar het systeem het naartoe leidt.

Waarde, geld en verschuiving
Economie is in wezen een afspraak over hoe waarde wordt uitgewisseld.
Wie iets maakt, levert of bijdraagt, ontvangt daarvoor een tegenwaarde in geld. Dat is de eenvoudige gedachte.
In de praktijk is die tegenwaarde steeds minder direct verbonden met de plek waar de inspanning wordt geleverd. Wie iets verkoopt of een dienst aanbiedt, krijgt zelden de volledige opbrengst in handen. Van elke verdiende euro gaat een deel direct op aan belastingen, premies en heffingen. Wat overblijft, is het bedrag waar iemand daadwerkelijk zijn uitgaven mee kan doen: koopkracht.
Hetzelfde geldt voor degene die koopt. Ook zijn inkomen is al meerdere keren aangesproken voordat hij een winkel binnenstapt: inkomstenbelasting, btw, zorgpremies, energieheffingen, gemeentelijke lasten. De ruimte om vrij te besteden is veel kleiner dan het bruto inkomen doet vermoeden.
Dat afgeroomde deel verdwijnt niet. Het stroomt via de overheid naar collectieve voorzieningen en beleidsprioriteiten. Een samenleving kan niet zonder voorzieningen. Maar wanneer een steeds groter deel van het inkomen eerst via die weg verdwijnt, verschuift het zwaartepunt.
Wat in de hal zichtbaar werd, was precies die verschuiving.
Daar werd waarde voortgebracht: arbeid, inzet, creativiteit, ambacht. Maar de koopkracht die daarvan het gevolg zou moeten zijn, was al grotendeels vastgelegd. Zo ontmoeten waardecreatie en geld elkaar steeds minder vanzelfsprekend op de plek waar de overdracht plaatsvindt. De reële economie — de ontmoeting tussen maker en koper — wordt afhankelijk van geldstromen die elders worden beheerd en herverdeeld.
Waar het geld wél heen gaat
Wat daarbij vaak buiten beeld blijft, is dat het geld dat via belastingen en heffingen wordt afgeroomd, niet vanzelfsprekend terugvloeit naar de reële economie waarin het werd verdiend.
Overheidsuitgaven voeden lang niet altijd de nationale kringloop van arbeid, productie en dienstverlening.
Een aanzienlijk deel verdwijnt naar buitenlandse leveranciers, internationale aannemers, financiële markten en beleggers: defensiecontracten, energie-inkoop, grote infrastructuurprojecten, renteverplichtingen en garanties die hun beslag krijgen buiten de directe leefwereld van burgers en ondernemers.
Voor de maker, de dienstverlener of de kleine ondernemer betekent dit dat zijn inspanning wel wordt belast, maar nauwelijks wordt gespiegeld in extra bestedingsruimte in zijn omgeving. Het geld verlaat de plek waar de waarde werd gecreëerd en keert daar niet in dezelfde mate terug.
Zo ontstaat een dubbele verschuiving:
niet alleen wordt de koopkracht kleiner,
ook wordt de circulatie van geld binnen de reële economie onderbroken.
Lokale markten, ambacht en kleinschalige handel raken afhankelijk van reststromen, terwijl de hoofdmassa van het geld zich onttrekt aan die dagelijkse werkelijkheid. De reële economie verarmt niet door gebrek aan inzet of creativiteit, maar door een structureel tekort aan voedingsbodem.
Waarde terugbrengen in de kring
Wat mij in de afgelopen decennia heeft beziggehouden, is niet de vraag hoe dit systeem te repareren, maar of we ons opnieuw kunnen verhouden tot wat waarde is en waar de opbrengst ervan terechtkomt.
Zolang beloning uitsluitend via geld loopt, blijft zij afhankelijk van structuren die waarde onttrekken voordat zij haar oorsprong bereikt.
In dat zoeken ben ik uitgekomen bij vormen van ruil die niet op geld zijn gebaseerd, maar op wederkerigheid. Ruilhandel klinkt voor velen ouderwets, maar is in wezen eenvoudig en eigentijds: waarde wordt erkend op het moment dat zij wordt geleverd, en de tegenwaarde wordt uitgedrukt in de vorm van een belofte.
Dat is wat een I Owe You is.
Een I Owe You is geen schuldbewijs in financiële zin, maar een relationele toezegging binnen een kring. Iemand ontvangt een product of dienst en verbindt zich eraan om die waarde later terug te brengen — niet noodzakelijk aan dezelfde persoon, maar binnen dezelfde gemeenschap.
In de animatiefilm, die ik in 2023 uitbracht, wordt dit zichtbaar gemaakt met eenvoudige voorbeelden.
Een vrouw koopt laarzen en betaalt met een I Owe You. Zij lost haar belofte in door voor de kring een communicatieplan te ontwikkelen.
Een tuinman betaalt de tandarts met een I Owe You en verzorgt later diens tuin.
Om vrijblijvendheid te voorkomen, kunnen I Owe You’s centraal worden geregistreerd — niet om te controleren, maar om inzicht te houden. Ongelijkheid hoeft geen probleem te zijn; zij kan voortkomen uit ziekte, tijdelijke beperking of geringe betrokkenheid. Transparantie maakt bijsturing en zorg mogelijk.
Belangrijk is dat deze vorm de werkelijkheid niet ontkent. Niet alle kosten kunnen binnen een kring worden voldaan. Gedeeltelijke betaling in euro’s blijft noodzakelijk. Naarmate een kring sterker en meer zelfvoorzienend wordt, neemt de eurobehoefte af — niet door dwang, maar door ervaring.
Dit is geen alternatief systeem op staatsniveau. Het is een andere bedding voor waarde binnen menselijke verbanden. Niet door geld af te schaffen, maar door het niet langer alles te laten bepalen.
Fair en kring
De fair liet zien wat er gebeurt wanneer waarde aanwezig is, maar de bedding ontbreekt.
Er is ontmoeting, maar geen gedeelde afspraak over hoe waarde kan blijven circuleren wanneer geld tekortschiet. Verkoper en koper delen ruimte, maar vormen geen gemeenschap die waarde over tijd draagt.
Daarin verschilt de fair wezenlijk van een kring.
Een kring ontstaat niet vanzelf. Zij vraagt iets van de mens:
vertrouwen,
bereidheid tot samenwerking,
en het vermogen verantwoordelijkheid te nemen voor de balans tussen geven en ontvangen.
Zonder die elementen verwordt een belofte tot een lege afspraak. Met die elementen wordt zij een levend instrument.
Het verschil zit niet in techniek, maar in menselijkheid.
Een kring kan alleen bestaan wanneer deelnemers verder kijken dan hun onmiddellijke voordeel en erkennen dat waarde niet uitsluitend in geld wordt gemeten, maar in wat men werkelijk voor elkaar betekent.
Slotparagraaf
Wat zichtbaar werd, was een systeem waarin mensen hun best doen, iets moois maken of aanbieden, maar aan het einde van de dag met te weinig naar huis gaan.
Wat ik die middag zag, was geen falen van mensen. Geen gebrek aan inzet, creativiteit of goede wil. Integendeel. Wat zichtbaar werd, was een systeem waarin mensen hun best doen, iets moois maken of aanbieden, maar aan het einde van de dag met te weinig naar huis gaan.
Zolang we dat blijven zien als een individueel probleem — van verkopers die “beter moeten ondernemen” of kopers die “meer moeten besteden” — missen we wat zich daar werkelijk aftekent. Het gaat niet over moreel tekort, maar over structurele verschuiving.
Misschien begint verandering niet bij nieuwe oplossingen, maar bij het opnieuw leren zien waar waarde wordt voortgebracht — en het besef dat een economie die haar makers niet voedt, zichzelf langzaam uitholt.
Niet met lawaai.
Maar met lege handen in een volle hal.
© Ad Broere
Dit werk is gebaseerd op vrijwilligheid.