Wat verandert er – en wat niet?
In de jaren negentig werden de pensioenpremies verlaagd, terwijl de daarmee te financieren pensioenvoorzieningen nagenoeg ongewijzigd bleven. Opeenvolgende kabinetten achtten dit verantwoord op basis van aannames over de te verwachten overrente bij het ABP en over mogelijke toekomstige aanpassingen van het pensioenstelsel. Die overrente zou voortkomen uit gunstige beleggingsresultaten. In dat kader sprak de minister van Binnenlandse Zaken destijds over een verwachte vermogensgroei van gemiddeld 7 procent per jaar
(Privatisering van het ABP, Kamerstuk 26 015, 1998).
Wat wordt bedoeld met overrente?
Overrente kan worden toegelicht met een eenvoudig voorbeeld. Stel dat iemand € 10.000 spaargeld heeft waarop geen rente wordt ontvangen. Die persoon vraagt een kennis met beleggingskennis of het mogelijk is dit bedrag zodanig te beleggen dat er na tien jaar meer beschikbaar is. De kennis kan geen garanties geven, maar verwacht dat hij € 13.500 kan uitkeren, overeenkomend met ongeveer 3 procent rendement per jaar. De spaarder gaat hiermee akkoord.
In de praktijk blijkt dat de belegger gemiddeld 7 procent rendement behaalt. Het ingelegde bedrag groeit daardoor in tien jaar tot circa € 19.670. Het verschil tussen het gerealiseerde rendement en het toegezegde rendement — in dit voorbeeld € 6.170 — kan worden aangeduid als overrente. Omdat vooraf een uitkering van € 13.500 is afgesproken, blijft deze overrente bij de belegger.
Overrente bij pensioenfondsen
Een vergelijkbaar mechanisme geldt bij pensioenfondsen. Pensioengerechtigden krijgen de toezegging dat zij na pensionering maandelijks een uitkering ontvangen zolang zij leven. Deze uitkeringen worden gefinancierd uit het pensioenvermogen, dat bestaat uit:
- de pensioenpremies die werkgevers namens werknemers afdragen (premies die onderdeel vormen van het loon);
- de opbrengsten uit beleggingen van dat vermogen.
Zodra de premie is afgedragen, behoort deze niet langer toe aan de individuele deelnemer, maar aan het collectieve fonds. Dit collectieve karakter wordt doorgaans gerechtvaardigd met het solidariteitsprincipe: wat bij de één overblijft, kan worden ingezet voor de ander.
Structurele vermogensgroei
Wanneer het pensioenvermogen gemiddeld met circa 7 procent per jaar groeit, terwijl voor het nakomen van de toezeggingen een groei van ongeveer 3 procent volstaat, ontstaat een structurele marge. Deze marge — de overrente — is niet incidenteel, maar het resultaat van een langjarig rendementspatroon. Dat verklaart de omvangrijke vermogens die pensioenfondsen in de afgelopen decennia hebben opgebouwd.
De vraag waarom deze overrente slechts beperkt zichtbaar wordt in de uitkeringen, wordt doorgaans beantwoord met verwijzing naar toekomstscenario’s. De Nederlandsche Bank hanteert langetermijnverwachtingen waarin de vermogensgroei aanzienlijk lager zou kunnen uitvallen, mogelijk rond 1 procent per jaar. In dat geval zou geen sprake zijn van overrente, maar van een situatie waarin het vermogen langzamer groeit dan de verplichtingen.

De Wet toekomst pensioenen in dit licht
Deze manier van denken vormt ook de achtergrond van de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Met deze wet wordt het stelsel aangepast aan de veronderstelling dat vaste pensioenuitkeringen op lange termijn onvoldoende voorspelbaar zijn. De klassieke pensioenbelofte maakt plaats voor een individueel pensioenvermogen met een verwachte uitkering.
Economisch verandert daarmee weinig aan de kern van het systeem. Pensioenvermogens blijven collectief belegd op de financiële markten en blijven afhankelijk van gerealiseerde rendementen. Wat verandert, is de manier waarop deze rendementen worden toegerekend en gecommuniceerd. De onzekerheid die voorheen impliciet werd opgevangen binnen het collectief, wordt nu explicieter verbonden aan het individuele pensioenvermogen.
Daarmee verdwijnt het begrip overrente grotendeels uit de formele systematiek. Niet omdat het rendementspatroon wezenlijk verandert, maar omdat er geen vaste uitkeringsverplichting meer is waaraan een meeropbrengst kan worden gespiegeld. Meevallers en tegenvallers worden voortaan gepresenteerd als variaties in individuele pensioenuitkomsten.
Gevolgen in de praktijk
In de praktijk betekent dit dat de in het verleden opgebouwde vermogens blijven functioneren als buffer voor toekomstige onzekerheden, terwijl de ruimte voor indexatie van bestaande pensioenen beperkt blijft. Tegelijkertijd verschuift een deel van het risico van werkgevers en fondsen naar de deelnemers. Voor werkgevers, waaronder de overheid, vermindert daarmee de druk om premies substantieel te verhogen.
De solidariteit die voorheen impliciet was ingebouwd, wordt onder de Wtp explicieter begrensd en via rekenregels vormgegeven. De grote pensioenvermogens blijven bestaan, maar worden anders toegerekend en verdeeld.
Tot slot
De centrale vraag blijft waarom bij de inrichting van het pensioenstelsel wordt uitgegaan van zeer conservatieve rendementsaannames, terwijl over een periode van meerdere decennia — inclusief slechte jaren — gemiddeld een aanzienlijk hoger rendement is gerealiseerd. Zelfs bij een structurele daling van dat rendement zou het stelsel beheersbaar kunnen blijven.
De Wet toekomst pensioenen verandert daarmee vooral de vorm waarin risico’s en opbrengsten zichtbaar worden, niet de economische realiteit daarachter. Wie het huidige pensioenstelsel wil begrijpen, doet er goed aan die continuïteit onder ogen te zien.
Wie zich verder in deze vraag wil verdiepen, kan dat doen in mijn boek Geld in de bijrol.
© Ad Broere
Dit werk is gebaseerd op vrijwilligheid.
De link voor hen die op deze basis willen bijdragen:
Een gedachte over “Pensioen, overrente en de Wet toekomst pensioenen”
Een heldere en m.i. adequare analyse Ad.