|
|
|
|
|
Weten en begrijpen
|
|
|
Regelmatig hoor ik: ‘Ja, dat weten we al.’
|
We hebben iets gehoord of gelezen. Het heeft een plek gekregen in het geheugen.
|
|
Wanneer er daarna woorden klinken die daarop lijken, ontstaat herkenning.
|
En vanuit die herkenning zeggen we: ‘Dat weten we al.’
|
|
Daarmee lijkt het onderwerp afgesloten.
|
Maar is het ook begrepen?
|
Woorden kunnen in het geheugen liggen zonder dat zij iets hebben geraakt. Zonder dat zij zijn onderzocht. Zonder dat zij iets in beweging hebben gebracht.
|
Dan is er herkenning, maar geen begrijpen.
|
|
Onlangs sprak ik met een oudere man.
|
Hij reageerde op mijn schrijven met: ‘Maar dat weten we toch al.’
|
In die woorden lag niet alleen herkenning. Er lag ook een afsluiting.
|
Voor hem was het gezegd. Voor mij viel er iets stil.
|
Niet zozeer door wat hij zei, maar door wat het deed.
|
Er werd iets bij mij neergelegd: dat het niet nodig was om mijn tekst te lezen.
|
Niet omdat iemand iets “niet wil zien”, maar omdat woorden die als bekend worden weggezet, blijkbaar niet werkelijk zijn binnengekomen.
|
Weten blokkeert nieuwsgierigheid. Het sluit af voor wat zich nog wil laten zien.
|
Daarmee wordt het belemmerend voor vernieuwing.
|
Als iets werkelijk wordt begrepen, kan het niet meer worden afgedaan als: ‘dat weten we al.’
|
Dan opent het zich, steeds opnieuw.
|
Niet als kennis, maar als iets wat leeft.
|
|
Weten heeft nog een andere kant.
|
|
Het blijft vaak bij ontvangen.
|
Iets wordt gelezen, herkend, en daarmee lijkt het afgerond.
|
Er volgt niets. Geen beweging. Geen antwoord.
|
|
Dat zie ik ook in wat er rondom mijn schrijven gebeurt.
|
Er wordt gelezen. Soms wordt er gezegd: het raakt, het is herkenbaar.
|
En toch blijft het vaak stil.
|
Daarin zit wederkerigheid.
|
Wat wordt ontvangen, blijft niet liggen. Het werkt door.
|
En ergens ontstaat een antwoord.
|
|
Misschien is dat het verschil.
|
En in die opening ontstaat uitwisseling.
|
|
|
|
|
|
|
|
|