Pensioenfondsbestuurders, geef toe dat het niet klopt

Worden we bewust belazerd of is er sprake van onkunde als het gaat over ouderdomspensioenen? Hoe dan ook, de alarmerende berichten over tekorten en dreigende kortingen slaan in feite nergens op. Er heeft zich in de afgelopen tientallen jaren bij de pensioenfondsen een groot stuwmeer van geld gevormd, waartegenover de verplichtingen van die fondsen per saldo in het niet zinken. Hoe dat kan? Hieronder wordt het uitgelegd. Het is echt de hoogste tijd dat de verantwoordelijke fondsbestuurders worden geconfronteerd met de feiten, want een toenemend aantal gepensioneerden ziet volkomen onnodig de koopkracht jaar op jaar slinken.

De premie die door de werkgever namens de pensioengerechtigde werknemer wordt afgedragen aan het pensioenfonds waarbij de werkgever is aangesloten, komt in een collectieve pot. Dit betekent dat het geld dat bij het pensioenfonds in de pot zit, niet van mevrouw Pietersen, meneer Jansen et cetera is. Het is in feite van niemand. Uit het geld in de pot moeten wel de pensioenen worden uitgekeerd.

De uitbetaling van het pensioen is gebaseerd op een pensioentoezegging. Aan deze toezegging is in de afgelopen decennia flink gesleuteld. Het deel van het inkomen waarover geen pensioen wordt uitgekeerd, franchise genoemd, is flink verhoogd, de pensioentoezegging wordt niet langer berekend over het laatst genoten loon (eindloon), maar over het gemiddelde loon dat vanaf in diensttreden tot uit dienst gaan werd uitbetaald. Verder is het bedrag waarmee het pensioenrecht jaarlijks wordt opgebouwd (opbouwpercentage) verlaagd. De reden die voor deze aantasting van de pensioenaanspraken wordt opgegeven is om de pensioenen betaalbaar te houden. Het gevolg van dit beleid is dat de optelsom van alle pensioentoezeggingen flink veel lager is geworden.

Tegelijkertijd is het bedrag aan beschikbare middelen bij de pensioenfondsen flink gestegen. Ondanks de financiële crisis nam dit bedrag toe van € 683 miljard eind 2007 tot € 1.388 miljard eind 2017. Dit is een toename met gemiddeld per jaar 6,5 procent, ondanks dat het bedrag in de pot zakte in 2008 ten opzichte van 2007 van € 683 miljard naar € 576 miljard. Het maakt duidelijk dat de verhalen over lage rente, gewoon niet kloppen, want ondanks de lage rente in de afgelopen jaren groeide de pot fors in omvang. Ook de gevolgen van de financiële crisis blijken dus slechts betrekkelijk te zijn geweest.

copyright Mario de Koninck, cartoon geplaatst in ‘Geld in de Bijrol’

De lage rekenrente van nauwelijks 1 procent staat daarom in geen relatie met de realiteit en leidt er slechts toe dat er zich in de pot steeds meer kapitaal ophoopt dat van niemand is (dus ook niet van overheid of EU) omdat niemand er een individuele claim op heeft. Het enige criterium is dat er voldoende in de pot moet zitten om aan de pensioentoezeggingen te kunnen voldoen. Dat lukt door de eerdergenoemde verschraling van deze toezeggingen ruimschoots.

Er wordt gesteld dat die reserves hard nodig is om de pensioenen in de toekomst betaalbaar te houden. Dit is echter een drogredenering, die stoelt op een verkeerd idee over solidariteit tussen generaties. De pensioenen die door de fondsen worden uitbetaald, worden gevormd op kapitaaldekkingsbasis. Dit betekent dat iedere pensioengerechtigde voor zijn of haar eigen pensioen moet (kunnen) zorgen. Helaas lukt dit niet omdat de pot collectief is gemaakt, dus dat er geen individueel recht is van de pensioengerechtigde. Die collectiviteit is gebaseerd op de gedachte dat er solidariteit moet zijn binnen de generaties en tussen de generaties ‘de een helpt de ander’. Dit is een foute gedachte, want ouderdomspensioenen zijn gebaseerd op kapitaaldekking en niet op onderlinge verzekering. De risico’s van kort leven en het voorzien van inkomen voor nabestaanden moeten daarentegen wel op basis van een fonds worden geregeld, waarin elke deelnemer aan het fonds premies stort. Daar is het geld voor de ouderdomspensioenen echter niet voor nodig. Ook kan elke generatie heel goed voorzien in de eigen pensioenbehoefte. Door de maatschappelijke veranderingen kijken de jongeren van nu heel anders aan tegen pensioen en de noodzaak om ervoor te sparen. Zij zouden hun eigen keuzes moeten kunnen maken. In het huidige stelsel kan het echter niet, omdat de pensioengerechtigde niet aan zijn eigen kapitaalopbouw kan werken, zoals dat in de zogenoemde derde pijler wel het geval is.

De rollen zijn omgekeerd. Pensioenfondsen bepalen hoeveel er in de pot moet zitten om aan de toezeggingen te voldoen. Ze worden daarbij gestuurd door De Nederlandse Bank, die de kaders aangeeft waarbinnen de pensioenfondsen moeten werken, zoals de rekenrente die moet worden toegepast en de beleggingen die met het beschikbare geld dienen te worden gedaan. Formeel zijn de fondsen vrij om hun eigen beleid te maken. In de praktijk is de Nederlandse Bank echter op de achtergrond aanwezig. Ex fondsbestuurder van het schilderspensioenfonds Jan van Walsum informeert ons hierover in dit interview.

copyright Mario de Koninck, cartoon geplaatst in ‘Geld in de bijrol’

De pensioengerechtigde zit niet aan het stuur met betrekking tot zijn pensioen, maar is in een afhankelijkheidspositie geplaatst. De fondsbestuurders en De Nederlandse Bank (met op de achtergrond de Minister van Financiën) maken de dienst uit en bepalen de bestemming van wat er in de pot zit bij de pensioenfondsen. Dat er schaalvoordelen kunnen worden bereikt door collectief te beleggen is juist, maar dit is geen argument om de huidige, verre van ideale, situatie te laten voortbestaan. Collectief beleggen van persoonlijke kapitalen valt heel goed te combineren.

Dat het benodigde bedrag enorm afwijkt van wat er in de pot zit is voor velen inmiddels wel duidelijk. Het probleem is echter dat het niet zichtbaar wordt gemaakt. Ik heb daarom een berekening gemaakt voor een fictief persoon, alleenstaande vrouw, die achttien jaar voor een onderwijsinstelling, aangesloten bij het ABP, heeft gewerkt voordat zij met pensioen ging, eind 2015.

De vrouw was vanaf 1998 werkzaam in het onderwijs en is pensioengerechtigde bij het ABP. Eind 2015 ging zij met pensioen. Ik heb bij de premieberekening gebruik gemaakt van de data die het ABP mij ter beschikking heeft gesteld en alleen de afgedragen ouderdomspensioenpremies in de berekening opgenomen.

De vrouw had een beginsalaris van € 35.000 en eindsalaris van € 50.409. Volgens de middelloonregeling en rekening houdend met de franchise zoals toegepast door het ABP en op basis van een gemiddeld nettorendement van 7% per jaar (informatie ABP), is er na 18 jaar een kapitaal beschikbaar van € 217.708.

In dit voorbeeld wordt verondersteld dat de vrouw 20 jaar na haar pensioengerechtigde leeftijd leeft en dat ze sterft op haar 85ste.

Het opgebouwde kapitaal van € 217.708 rendeert onder aftrek van de jaarlijks aan haar uit te keren pensioenbedragen door met eveneens 7%.

Ik heb twee scenario’s uitgewerkt. Het eerste dat er geen indexatie wordt toegepast en het tweede dat er een indexatie van 2% per jaar wordt toegepast. Bij het eerste scenario wordt er in totaal € 185.937 tot haar overlijden uitgekeerd en bij het tweede € 225.889. Dus als zij met pensioen gaat is er genoeg beschikbaar als er niet wordt geïndexeerd en bijna genoeg als er wel wordt geïndexeerd.

Doordat echter in beide scenario’s het kapitaal door het 7% rendement doorgroeit en omdat er jaarlijks meer wordt toegevoegd dan dat ervan af gaat, neemt het beschikbare kapitaal toe.

Als de vrouw sterft op haar 85ste, dan valt er daardoor bij scenario 1 (geen indexatie) een bedrag van € 461.333 vrij en bij scenario 2 (indexatie 2% per jaar) een bedrag van € 399.236.

Dus ook als jaarlijks zou worden geïndexeerd met 2% blijft er 1,7 keer zoveel over als er werd uitgekeerd en 2,5 keer zoveel als er niet wordt geïndexeerd. Een overschot van € 461.333 op 1 pensioengerechtigde, die 18 jaar in het onderwijs werkte. De meest schokkende conclusie is echter wel dat hoe langer de vrouw leeft, hoe hoger het kapitaal is dat vrijvalt na haar overlijden.

Bovenstaand voorbeeld laat zien dat niet indexeren van de pensioenen in feite belachelijk is en ook dat het opbouwen van een pensioenkapitaal op naam van de pensioengerechtigde in plaats van een toezegging veel gunstiger is voor alle deelnemers aan een pensioenfonds. Als wat in de pensioenpotten zit wordt toegewezen aan de individuele pensioengerechtigden, dan zal blijken dat dit een veel betere oplossing is dan de huidige waarin enorme bedragen pensioengeld worden ontzegd aan de pensioengerechtigden.

© Ad Broere, auteur en econoom

Meer weten over geld, economie en over hoe het anders kan?

Edgar Wortmann Bedrijfsjurist at Elannet Business Innovation

Die pot gaat eigenlijk alleen over de verdeling van de taart. Of er ook een taart is, tegen de tijd dat je met pensioen gaat is met die pot allerminst gegarandeerd. Zeker niet als die pot het moet hebben van waarde-extractie. Pensioenzekerheid creeren we door investeringen in duurzame welvaart, waarbij mens en planeet in balans komen met elkaar. Dan wordt de verdeling een bijzaak, die we op de grondslag kunnen vestigen die we het meest rechtvaardig achten.

Ad Broere author

Je haalt hier twee onderwerpen door elkaar Edgar. Waardecreatie en wie de eigenaren zijn van de pensioenpot. Zoals het nu is geregeld is er geen individueel recht op een deel van wat er in de pot zit. Wel een toezegging, die niet in verhouding staat tot het kapitaal dat wordt gevormd met de gestorte premies en een gemiddeld netto rendement van 7 procent. Het andere onderwerp, dat geïnvesteerd zou moeten worden in duurzame welvaart, ben ik met je eens maar daar gaat het hier niet over. Verder, die taart is constant in beweging. Er worden stukken aan toegevoegd en kleinere stukken vanaf gehaald. Jij doet het voorkomen alsof de taart een statisch iets is, waarop we heel zuinig moeten zijn voor de toekomst. Of er in de toekomst nog taart is en hoe die eruit ziet hangt in hoge mate af van de pensioengerechtigden die in de opbouwfase zitten. Hoeveel hebben zij over voor hun toekomstige taartstuk en – om op jouw punt te komen- hoe willen zij dat hun premies worden belegd?