32 miljard verdwenen uit het ABP pensioenfonds en andere zaken: Ad Broere en Rob de Brouwer

Overheid, pensioenfondsen, toezichthouders, werkgevers, werknemers: stop met de worst case scenario’s, die slechts leiden tot een steeds groter wordend stuwmeer van spaargeld. Bij de pensioenfondsen, waar de waarde van de belegde reserves een astronomische omvang heeft bereikt en bij de overheid waar alleen al in 2018 € 11 miljard op de AOW begroting werd bespaard. Geld moet rollen, als het wordt vastgezet, is dat nadelig voor de economie en vooral voor de koopkracht van iedereen, niet alleen van de ouderen. Tussen 1982 en 1994 heeft de overheid een enorm bedrag aan het ABP onthouden dat geschat wordt op 32,8 miljard gulden, maar dat in werkelijkheid aanzienlijk groter zou zijn. Ex Premier Lubbers zei hierover vlak voor zijn dood in een interview dat door de uitnamewetten die deze besparingen legaliseerden de overheid een verplichting op zich heeft geladen naar de pensioengerechtigden bij het ABP. Ook heeft de overheid het welvaartsvaste pensioen overboord gezet, om de pensioenen betaalbaar te houden ondanks de uitnamewetten. Het is in feite een wonder dat het ABP ondanks het ingrijpen van de overheid nog een dekkingsgraad heeft van ongeveer 100 procent bij een rekenrente van 1,2 procent. De AOW wordt uitbetaald op basis van een omslagstelsel, dat wil zeggen dat de werkenden betalen voor de gepensioneerden. Vooral door wijzigingen in de sfeer van de inkomstenbelasting is de opbrengst van de AOW premie al jaren onvoldoende om de uitkeringen te kunnen betalen. Het verschil wordt uit de algemene middelen betaald, dus uit het belastinggeld dat ook door gepensioneerden wordt afgedragen. In zekere zin is de AOW dus voor veel gepensioneerden een sigaar uit eigen doos. Ook op de stijging van de AOW leeftijd valt heel wat af te dingen.  De toekomst van de pensioenen in Nederland is veel beter dan vaak wordt geschetst. Paniekzaaierij is absoluut onnodig en getuigt van gebrek aan inzicht en kennis. Er is geen jongere die hoeft te zeggen dat er voor hem of haar later geen pensioen meer zal zijn. Ook indexeren kan zonder enig probleem. Het advies aan de commissie die zich over de rekenrente buigt is dat deze veilig op 2,8 procent kan worden gebracht. Zeker als de afspraak is dat deze maatregel over vijf jaar wordt geëvalueerd.

Belangrijke aanvulling 2 april 2019:

In het interview komt naar voren dat een premieheffing bij het ABP van 21 procent wettelijk was vastgelegd. In de periode tussen 1982 en 1994 is hiervan afgeweken, gelegaliseerd door de zogenoemde uitnamewetten. De periode waarover een lagere tot veel lagere premie werd berekend is het dubbele van zes jaar.  De laagste premie (8 procent) werd gedurende een periode van zes jaar geheven. In de overige jaren iets hoger, maar ruim beneden de wettelijk vastgelegde 21 procent.

Het ABP is niet het enige fonds dat in de genoemde periode tekort is gedaan door te lage premiestortingen.  Bureau Bosch toonde aan dat de dekkingsgraad in 2009 ondanks de crisis riant zou zijn geweest als de gestorte premies over de hele periode tussen 1980 en 2004 kostendekkend zouden zijn geweest. (https://www.stichtingpensioenbehoud.nl/images/stories/documenten/2011/Rapport_performance_en_dekkingsgraden-BureauBosch-1-1-2011.pdf)

Werkgevers, met de overheid voorop hebben onder dekking van het excuus dat de dekkingsgraad dermate riant was (in 1999 198 procent) niet kostendekkende premies gehanteerd.

Bureau Bosch toont in het eerdergenoemde rapport eveneens aan dat de beleggingen van fondsen zoals het ABP veel minder risicovol (minstens de helft aandelen en vastgoed) hadden behoeven te zijn als de premies kostendekkend waren gebleven.

Tegen de achtergrond van deze informatie rust er een claim op de werkgevers, inclusief de overheid, om de dekkingsgraad van de fondsen te herstellen, zodat ook als de rendementen in de komende tijd zouden dalen, er jaarlijks kan worden geïndexeerd. De werkgevers hebben in de jaren ’80 en ’90 geprofiteerd van de gunstige beleggingsresultaten van de fondsen, het wordt tijd dat dit voordeel wordt teruggegeven aan wie het ontnomen is: de pensioengerechtigden.