Generaliseren vergiftigt de discussie

Een statisticus waadde vol vertrouwen door een rivier die gemiddeld één meter diep was. Hij verdronk. (Godfried Bomans)

Feiten zeggen meer dan beweringen, hoewel ook feiten met intelligentie behandeld moeten worden, zoals Godfried Bomans in het citaat hierboven duidelijk maakt. Ik heb enkele  statistische feiten op een rijtje gezet en daarbij de nodige nuancering gegeven. Met de bedoeling om te snelle conclusies en generaliseringen over het onderwerp pensioenen te voorkomen. Voor zover dat mogelijk is…

Gemiddeld hadden 65 plus huishoudens in 2017 volgens het CBS een vermogen van 255.500. Exclusief de eigen woning was het vermogen van 65plus huishoudens 136.600. Gemiddeld hadden jonger dan 65 huishoudens een vermogen in 2017 volgens het CBS van 130.200, exclusief de eigen woning 86.400. Gemiddeld hebben ouderen dus meer vermogen dan jongeren. Omdat ouderen hun vermogen tijdens hun werkzame leven hebben kunnen opbouwen en jongeren nog in dat proces zitten, is het opvallend dat het verschil bij het vermogen zonder overwaarde op de eigen woning niet groot is. Het bevestigt wat ik in ‘Geld in de Bijrol’ schreef dat vrij besteedbare vermogensvorming slechts aan een relatief kleine groep huishoudens is voorbehouden.

Rondom dit gemiddelde zijn er echter grote afwijkingen. 46% van de huishoudens boven 65 jaar heeft geen eigen woning en een relatief laag vermogen. 1% staat er zelfs heel slecht voor met een negatief vermogen van gemiddeld -€ 374.000. Het vermogen van de meeste 65plus huishoudens zit vooral in stenen, dus in overwaarde op de eigen woning. Het klopt niet dat alle ouderen een hypotheekvrij huis zouden hebben. Totaal hebben 65plus huishoudens nog een hypotheekschuld van € 78 miljard, gemiddeld is dit bijna € 38.000.  Een derde van de 65plus huishoudens heeft de beschikking over vrij besteedbaar vermogen van enige omvang.

Gemiddeld hadden volgens het CBS 65 plus huishoudens in 2017 een besteedbaar inkomen van € 27.400 en jonger dan 65 huishoudens een besteedbaar inkomen van € 44.000. Jongeren hebben gemiddeld een hoger inkomen dan ouderen. Het mediane besteedbare inkomen van 65plus huishoudens is € 24.400. Dit betekent dat de helft van de ouderen een besteedbaar inkomen heeft van minder dan € 2.030 per maand. De meeste 65plus huishoudens met een relatief laag besteedbaar inkomen hebben een huurwoning. Deze groep heeft door de afnemende koopkracht moeite met rondkomen en staat vaak voor grote problemen als gevolg van ziekte of overlijden van de partner. Ook binnen de groep ouderen met een hypotheekvrije woning zijn er tekorten. Niet voor niets is het fenomeen ‘opeethypotheek’ ontstaan.

Tussen 2007 en 2015 schonken ouders aan hun kinderen 36,8 miljard euro, waarvan 10,4 miljard voor de aankoop van een eigen woning. De schenkingen werden vrijwel geheel gedaan door de meest vermogende 20 procent van de 65 plus huishoudens.

© Ad Broere, econoom en auteur