Scheppen klanten geld? Volgens de Rabo wel

In de digitale versie van de krant die zich richt op al wat het financiële betreft, stond op 20 oktober een opiniestuk van Wim Boonstra, chef econoom van de Rabobank en tevens bijzonder hoogleraar Economische en Monetaire Politiek aan de Vrije Universiteit. Boonstra heeft zich al in eerdere publicaties sterk gekant tegen de voorstellen in het Burgerinitiatief Ons Geld en de gedachtegang van de initiatiefnemers. Toch leek er een ommekeer te komen, want op 28 augustus 2015 toonde Boonstra zich bereid tot een dialoog. Hij schreef in een mail: “Ik stel voor dat wij ophouden om een karikatuur van elkaars standpunt te maken en te proberen om tot een zinvolle gedachtenwisseling te komen.” 

Uit onderstaand opiniestuk, dat vanwege het unieke karakter van de tekst hieronder bij wijze van uitzondering op dit blog in zijn geheel staat weergegeven, kan Boonstra het kennelijk niet nalaten om toch weer het Burgerinitiatief Ons Geld het narrenpak aan te trekken.

‘Commerciële banken zijn geldscheppende instellingen. Als een bank krediet verleent komt daardoor meer giraal geld in omloop. Dit is geen nieuw inzicht. Het staat al meer dan honderd jaar in de monetaire handboeken en iedere eerstejaarsstudent economie hoort het te weten. Toch hebben mensen dit opeens ‘ontdekt’ en ontstaan er wilde verhalen dat banken onbeperkt geld ‘uit het niets’ kunnen scheppen. Er is een burger­initiatief Ons Geld dat zich keert tegen geldschepping en binnenkort komt deze kwestie aan de orde in een debat in de Tweede Kamer.

Cover Ontwerp Compleet 135 X 210 Lores

 

De wilde verhalen berusten helaas op misverstanden. Er zijn mensen die denken dat banken hun ‘eigen’ geld maken. Dat is niet waar. Het geld op de betaalrekening is niet van de bank, maar van haar klanten. Geld wordt gecreëerd bij kredietverlening. De klant sluit een krediet af en de bank krijgt een vordering op de klant, maar de klant krijgt van de bank geld op zijn rekening gestort. Dat is een schuld van de bank aan de klant.

Er zijn ook mensen die denken dat banken onbeperkt krediet kunnen verlenen en daarmee geld kunnen scheppen. Ook dat is niet waar, want als de bank krediet verleent, heeft dat gevolgen voor haar liquiditeit en de solvabiliteitsratio’s. Liquiditeits- en solvabiliteitseisen leggen dus begrenzingen op aan het geldscheppend potentieel. Na de crisis hebben toezichthouders deze eisen fors aangescherpt.

Het grootste misverstand is echter dat banken in het geldscheppingsproces een actieve rol spelen. In werkelijkheid zijn banken hierin vaker passief. Een bank kan alleen krediet verlenen als er vraag naar krediet is. En als een klant aflost op zijn hypotheek, wordt juist weer geld vernietigd, zonder dat de bank daar invloed op heeft. Ook betalingen vanuit en naar het buitenland beïnvloeden de omvang van de geldhoeveelheid. Banken voeren die betalingen uit, maar beïnvloeden ze niet. Kortom, bij een bank zult u vergeefs zoeken naar een afdeling ‘geldschepping’. Die is er niet.
Wilde verhalen dat banken onbeperkt geld ‘uit het niets’ kunnen maken zijn niet gebaseerd op de feiten

De geldhoeveelheid ademt mee met de economie en is daarmee op voorhand niet voorspelbaar. Het idee dat een centrale instelling vooraf de ‘optimale geldhoeveelheid’ kan bepalen en dat de overheid die in omloop kan brengen, klopt niet. In een marktomgeving kan het domweg niet. Wat de centrale bank wel kan doen, is monitoren of de geldhoeveelheid zich vanuit stabiliteitsoogpunt bevredigend ontwikkelt. Zo niet, dan kan zij ingrijpen om de geldcreatie bij te sturen. Dit heet monetair beleid.

Het door de banken gecreëerde geld is dus niet van hen, maar van hun rekeninghouders. Waaruit bestaat dan het voordeel dat banken behalen uit hun zogeheten ‘geldscheppingsprivilege’? Dat ontstaat doordat de geldlener de bank rente betaalt over het krediet. Als het verkregen geld op een betaalrekening blijft staan, dan vergoedt de bank daarover geen rente. Dit levert het bankwezen als geheel jaarlijks enkele miljarden aan financieringsvoordeel op. Hoe hoger de rente, hoe groter dat voordeel. Maar zet de klant het geld op een spaarrekening of lost die er een andere schuld mee af, dan is het voordeel voor de bank weer snel verdwenen.

Verder kan een bank alleen maar geld creëren als zij deelneemt aan het betalingsverkeer. En daar kleven kosten aan. Uit onderzoek van McKinsey uit 2006 blijkt dat die kosten indertijd hoger uitvielen dan het financieringsvoordeel. Sindsdien is de rente fors gedaald en is de situatie voor de banken waarschijnlijk niet beter, ook al hebben zij sindsdien wel steeds meer directe kosten voor het betalingsverkeer in rekening gebracht.

Het zou goed zijn als het onderzoek van McKinsey vaker wordt herhaald om dit aspect voor iedereen helder te krijgen. Dan zouden de misverstanden omtrent geldschepping een stuk kleiner worden en kan de discussie hierover worden gevoerd op basis van feiten, in plaats van verkeerde percepties.’

Wim Boonstra is bijzonder hoogleraar Economische en Monetaire Politiek aan de Vrije Universiteit en chief economist van de Rabobank.

120203 Fd Vertrouwen In Overheid

In zijn dissertatie heeft Boonstra het over ‘wederzijdse schuldaanvaarding’, de klant heeft een schuld aan de bank en de bank heeft de verplichting om de digitale middelen ter beschikking te stellen aan de klant. Uit die wederzijdse schuldaanvaarding komt dus digitaal geld voort. Geld waarvoor bij een hypothecaire lening de klant in de komende 30 jaar prestaties moet leveren in de vorm van rente en aflossing en waarvoor de bank in 98% van de gevallen weinig meer hoeft te doen dan de lening boekhoudkundig administreren, maar daarvoor wel vorstelijk wordt beloond. Dit blijkt uit een simpel voorbeeld: een hypothecaire lening, looptijd 30 jaar, aflossingsvrij, rente gemiddeld over de hele looptijd 4% en funding van dit bedrag over die 30 jaar kost – eveneens gemiddeld – 1,5%, dus een rentemarge van 2,5%, levert een brutoresultaat – dus voor bedrijfskosten- op van 225.000 euro.  Als het verdienmodel van de bank gebaseerd zou zijn op uurtarieven voor dienstverlening – en waarom niet, nu we weten hoe digitaal geld ontstaat – , dan zou het brutoresultaat een fractie zijn van die 225.000 euro.

Boonstra schrijft over de kosten die zijn verbonden aan het deelnemen aan het betalingsverkeer. Hij refereert aan een onderzoek uit 2006, alweer negen jaar geleden. In de afgelopen jaren berekenen banken de kosten van het betalingsverkeer in toenemende mate door aan hun klanten. Dit leidt echter af van waar het om gaat. Banken verdienen aan de rentemarge. De rente op leningen en kredieten kan dalen en de rentemarge kan op hetzelfde niveau worden gehandhaafd. Bij de ING bijvoorbeeld, was de rentemarge in 2014 beter dan in 2007, voordat de bankencrisis uitbrak.

Fd 20110405 01008009

De kwinkslagen van Boonstra zijn nog tot daaraan toe – hoewel niet fair te noemen gelet op de in hoofde aangehaalde mail naar de initiatiefnemers van het Burgerinitiatief-. Het werd bedenkelijk nadat Martijn Jeroen van der Linden onderzoeker en promovendus TU Delft/ Economie van Technologie & Informatie, mede-initiatiefnemer burgerinitiatief Ons Geld, de volgende reactie op het opiniestuk van Boonstra naar de krant stuurde:

‘In een recent artikel stelt de heer Boonstra terecht dat commerciële banken geldscheppende instellingen zijn. Als een bank krediet verleent komt daardoor meer giraal geld in omloop. Ook merkt Boonstra op dat dit geen nieuw inzicht is. Dit klopt. Echter, diverse economen beweren dat veel economieboeken geld(creatie) en bankieren vaak onnauwkeurig, en zelfs onjuist beschrijven (o.a. Goodhart 1984, Turner 2013, Coe & Pettifor 2014, Werner 2014, Turner 2015). Vorig jaar bevestigde ook de Bank of England dit: “rather than banks lending out deposits that are placed with them, the act of lending creates deposits — the reverse of the sequence typically described in textbooks” (McLeay e.a. 2014).

Vervolgens stelt de heer Boonstra dat er veel misverstanden zijn. Ook dit klopt. Onderzoek (Cobden 2010, Dods 2014, Nietlisbach 2015) toont aan dat financiële geletterdheid laag is in Europese landen. Zo denkt 73% van de Zwitsers ten onrechte dat de Zwitserse staat en/of centrale bank al het geld creëert (Nietlisbach 2015) en weet slechts 12% van de Britse parlementsleden dat bankleningen nieuw geld creëren, 71% denkt ten onrechte dat de overheid al het geld schept (Dods 2014). Er zijn geen aanwijzingen dat financiële geletterdheid in Nederland en andere Europese landen hoger is.

Dan stelt de heer Boonstra dat banken een passieve rol spelen in het geldscheppingsproces. Dit is twijfelachtig. Het klopt dat het geldschepping begint met vraag naar geld. Maar in welke mate wordt deze vraag gestimuleerd door winstmaximaliserende banken? Accountmanagers bij banken worden bijvoorbeeld vaak beloond op basis van verkochte kredieten. Er is dus wel degelijk een drang om (te veel) kredieten te verkopen. Uit onderzoek blijkt dat er de afgelopen decennia met name geld gecreëerd is uit krediet voor niet-productieve investeringen, zoals huizen en financiële activa. De geldhoeveelheid is dus niet meegeademd met de economie zoals de heer Boonstra stelt. Inflatie in huizenprijzen en aandelenkoersen is de norm geworden.

In de 21ste eeuw dwingt digitalisering ons geld, krediet en bankieren opnieuw te overdenken. In het industriële tijdperk was bankieren vrij simpel. Banken financierden kapitaalintensieve lange termijn projecten en overbrugden mismatches tussen spaarders en leners. Overheden zorgden voor regelgeving en implementeerden depositogarantiestelsels om bank runs te voorkomen. Krediet was immobiel, geld was grotendeels chartaal (cash) en bankbalansen waren simpel. De digitale revolutie heeft dit veranderd. Kredieten worden tegenwoordig op grote schaal verknipt, verpakt en verhandeld en zijn daardoor zeer mobiel. Geld is grotendeels giraal. En bankbalansen zijn complex. Bankieren is losgemaakt van afzonderlijke bankbalansen. Hierdoor wordt toezicht steeds complexer en is toezicht op bijvoorbeeld kapitaalratio’s niet langer zinvol.

Burgerinitiatief Ons Geld stelt voor gebruik te maken van de mogelijkheden die ICT en digitalisering bieden, en het geldsysteem en kredietsysteem van elkaar te splitsen. In het verleden hebben zowel vrije-markteconomen als meer staat-georiënteerde economen op basis van economische argumenten hetzelfde voorgesteld (o.a. Irving Fischer en Milton Friedman; zie Lainà 2015 voor historisch overzicht). In de jaren na de beurscrash van 1929 stond monetaire hervorming zelfs hoog op de politieke agenda in de Verenigde Staten. Onder andere door bestuurlijke blunders, een slecht geïnformeerd publiek en bankenlobby werd in 1933 echter gekozen voor de Glass-Steagall Act (Phillips 1992).

Wij denken dat in de 21ste eeuw door een vierde macht uitgegeven digitaal chartaal geld kansen biedt en wij zijn hierin niet alleen. De Bank of England onderzoekt momenteel central-bank issued digital currency (Kumhof 2015) en een mogelijke transitie van credit-based money naar token-based money (Bank of England 2015). Burgerinitiatief Ons Geld pleit voor actie en stelt voor schuldvrij geld te introduceren en banken een intermediërende rol te geven. Onderzoek van onder andere Yamaguchi (2011), Benes & Kumhof (2012, 2013) en de Vries & van Egmond (2014) laat zien dat dergelijke hervorming niet alleen leidt tot grotere stabiliteit, maar ook tot een afname van publieke en private schulden en productiviteitsgroei. Bovendien kan het depositogarantiestelsel worden afgeschaft.

Tot slot, de heer Boonstra merkt terecht op dat de afdeling geldschepping niet bestaat bij banken. Hierdoor is er momenteel geen coördinatie. Burgerinitiatief Ons Geld vindt dit problematisch en stelt dat coördinatie juist nodig is om prijsstabiliteit, in onze ogen een publiek goed, te realiseren.’

Martijn Jeroen van der Linden, onderzoeker en promovendus TU Delft/ Economie van Technologie & Informatie, mede-initiatiefnemer burgerinitiatief Ons Geld.

De krant weigerde de reactie van Van der Linden te plaatsen en motiveerde dit als volgt: ‘Wij hebben ons als redactie al langer in deze materie verdiept en zijn tot de conclusie gekomen dat het onzin is en geen plaats verdient in onze kolommen. We hebben het zelfs (uitzonderlijk) niet nodig gevonden te berichten over de hoorzitting in de Kamer, hoewel een onzer collega’s deze heeft gevolgd (en met plaatsvervangende schaamte heeft verlaten). Wij gaan uw stuk dus niet plaatsen.’

Het lijkt erop dat er mensen zijn bij de media die op een eiland van onwetendheid verkeren over wat er in de rest van de wereld gebeurt. Van der Linden noemt feiten en namen, klinkende namen, van onderzoekers en van instellingen die zich serieus met monetaire vernieuwing bezig houden. Hoe kortzichtig kun je zijn om deze informatie aan je lezers te onthouden.

Ad Broere, econoom