Pensioenen op de tocht

20 september
2011
De rook van het achterhoedegevecht, dat is gestreden tussen de vakbonden
onderling en met Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Henk Kamp is
opgetrokken. Op wat correcties na op de eerdere overeenkomst is het
pensioenakkoord nu definitief.   Op 10 juni werd tussen de sociale partners dit
pensioenakkoord gesloten. Het akkoord betreft zowel de AOW als aanvullende
pensioenen. De AOW gerechtigde leeftijd gaat omhoog tot 66 jaar in 2020 en tot 67
jaar in 2025. Tegen de achtergrond van de statistisch langere levensverwachting
lijkt deze verhoging niet onlogisch. De gedachte die aan het akkoord ten
grondslag ligt om het pensioenstelsel betaalbaar te houden lijkt ook redelijk. Hoewel
in de recente onderhandeling hierop de nadruk heeft gelegen, is de regeling
rond de AOW niet het grootste probleem, tenminste, zolang de overheid in staat
is om aan haar verplichtingen te voldoen. Of dat het geval is, dat valt nog te
bezien, want de AOW is gebaseerd op het omslagstelsel.
Dit betekent dat er, anders dan met de aanvullende pensioenen het geval is,
niet wordt gespaard voor de AOW. De werkenden moeten de AOW opbrengen voor de
pensioengerechtigden. Die basis is wankel, omdat de Nederlandse bevolking aan
het vergrijzen is en ook omdat de ontwikkelingen met betrekking tot de
kwalitatieve en dus beter betaalde werkgelegenheid niet gunstig zijn.

Mijn
grootste zorg is echter over de aanvullende pensioenen. Het NRC schrijft hierover:

‘De aanvullende pensioenen volgen de AOW als het gaat om langer
werken. Dus tot 66 vanaf 2020 en mogelijk tot 67 vanaf 2025. De huidige
‘harde’ toezegging van de hoogte van het pensioen maakt plaats voor
een
zachte toezegging. De pensioengerechtigde moet rekening houden met ‘verrassingen’
want het succes van de beleggingsmix van het pensioenfonds wordt
bepalend. Die kan meevallen of tegenvallen. De beleggingsmix wordt
bepaald door het pensioenfonds zelf in onderhandelingen met de sociale
partners. Werknemers worden niet meer gedwongen tot herstelbetalingen.
Ook zijn premies niet langer een instrument om de pensioenfondsen op
peil te houden. In het nieuwe akkoord blijven de premies stabiel, zowel
voor werknemers als voor werkgevers. De afgelopen jaren zijn de
premiers regelmatig verhoogd om de dekkingsgraad van de fonds te
steunen.’

Het gaat om de wijziging van harde naar zachte toezegging. Het
risico wordt verschoven van pensioenfondsen en ondernemingen naar de
werknemers. Gaat het goed met banken en beurzen dan gaat het goed met
de aanvullende pensioenen. Maar het omgekeerde is ook waar. Er bestaat
dus een mogelijkheid dat de premies, die u jarenlang hebt ingelegd in
rook zijn verdwenen, verloren gegaan in het grote casino.  Door de
aanvullende pensioenen te koppelen aan het wel en wee van de beurzen
toont de overheid aan dat men niet in staat is zijn burgers te
beschermen tegen de macht van grote speculanten, vooral de hedgefunds,
die met hun nanotrading en derivaten steeds weer opnieuw de aan
regels gebonden institutionele beleggers, in het bijzonder de pensioenfondsen,
het nakijken geven.

Een extra
complicatie is, dat bedrijven eerder dan voorheen financiële tegenvallers op
hun pensioenreserve moeten opnemen in het eigen vermogen. En dat vinden de
bestuurders van deze ondernemingen niet leuk, omdat de aandeelhouders een
minder gunstig plaatje krijgen voorgeschoteld. Dit versterkt de tendens bij
bedrijven om over te stappen op de beschikbare premiemethode, die voor
pensioengerechtigden zeer ongunstig is als het economisch slecht gaat. Het FD
(20 september 2011) schrijft hierover:

 Volgens de nieuwe regels moet
echter alles direct worden verwerkt in het eigen vermogen, waardoor dat veel
meer kan gaan schommelen. Zo wordt de trend onder bedrijven versterkt om de
pensioenregeling om te zetten naar een regeling zonder garanties. Bij deze
beschikbarepremieregelingen hebben tegenvallers bij het fonds geen consequenties
voor de boekhouding van het moederbedrijf. Martijn Vos van Ortec Finance denkt
ook dat de trend om over te stappen naar beschikbarepremieregelingen door zal
zetten. ‘Het zullen echter wel collectieve regelingen blijven en dus niet
individueel. Werknemers delen dus wel samen de risico’s.’

 Ceder5

(c) Cartoon van Jos Collignon, geplaatst in Ending the Global Casino?

Er is voorafgaand aan het pensioenakkoord  vaak gediscussieerd over
de dekkingsgraad. Wat is dekkingsgraad? Het is de huidige waarde van
alle beleggingen van een pensioenfonds gedeeld door de huidige waarde
van alle toekomstige pensioenverplichtingen van hetzelfde
pensioenfonds. De dekkingsgraad moest minimaal gelijk zijn aan 100%.
Meer dan 100% dekkingsgraad betekent dat er een buffer is, minder dan
100% een onderdekking. ‘ Slecht bij kas zitten’  is niet hetzelfde als
een slechte dekkingsgraad hebben. De Nederlandse pensioenfondsen zitten
niet slecht bij kas. Ze behoren tot de rijkste fondsen van de wereld.
De onrust die vorig jaar is ontstaan, ging erover dat de
pensioenfondsen niet aan de toekomstige verplichtingen zouden kunnen voldoen. In welke mate niet en vanaf is niet duidelijk gemaakt, maar het was mijns inziens wel de directe aanleiding om aan het stelsel te gaan sleutelen.

Om aan die toekomstige verplichtingen te kunnen blijven voldoen
hebben pensioenfondsen in de afgelopen decennia grotere risico’s
genomen, door meer te gaan beleggen in aandelen, tot soms meer dan 50%
van de portefeuille. In deze trend is recent verandering gekomen.  Er
werd weer in hogere mate belegd in “risicoarme’ investeringen zoals
staatsleningen. De grote problemen rond de staatsschulden van
Griekenland, Spanje, Portugal en Ierland hebben echter bewezen, dat ook
deze ‘veilige’ beleggingen niet echt safe meer kunnen worden genoemd.
Behalve een risico, dat in feite niet veel minder is dan dat van
beleggingen in aandelen,  is er ook sprake van een lager rendement of
opbrengst. Minder rendement betekent minder geld om aan de
verplichtingen te kunnen voldoen. Of het nu gaat om aandelen of om
obligaties en leningen, een ding is zeker. Het lot van de
pensioenfondsen is verbonden met het lot van het huidige monetaire
systeem. Als dat zou instorten, dan houdt alles op. Ook de pensioenbetalingen.

De mate waarin een pensioenfonds aan zijn toekomstige verplichtingen
kan voldoen, wordt gemeten naar de waarde van de beleggingen van nu.
In de huidige situatie is er sprake van een lage rente op leningen en
spaartegoeden. Aandelen zijn risicovol en de koersen ontwikkelen zich
niet gunstig. Hierdoor ontstaat een scheef beeld. De ‘zekerheid’ van de
toekomstige verplichtingen wordt afgezet tegen de onzekere en wankele
financiële markt omstandigheden van dit moment. Daardoor is de
dekkingsgraad “kwetsbaar”. Een comfortabel ogende dekkingsgraad kan door
een paar slechte dagen op de aandelenbeurs, of door een daling van de
kapitaalmarktrente, sterk dalen. Daarom was het werken met
“dekkingsgraad’ een globale en discutabele graadmeter voor de werkelijke
financiële draagkracht van een pensioenfonds.

We leven  in een land van boekhouders, die wel de toekomstige (hoge) lasten als vaststaand gegeven aannemen en de toekomstige inkomsten slechts baseren op dat wat op dit moment “vast” staat.
Niets staat vast. In 2007 hadden de gezamenlijke pensioenfondsen nog
een dekkingsgraad van 144%, wat toen als zeer comfortabel werd gezien.
Een jaar later sloeg de crisis toe. Nu zijn er veel pensioenfondsen met
een dekkingsgraad beneden 100%, dus met een onderdekking. Wie kan met
zekerheid zeggen hoe de wereld er over 5 laat staan 10 of 20 jaar
uitziet? Kennelijk hebben de ontwerpers van het pensioenakkoord dit ook
ingezien. De bespiegelingen over de dekkingsgraad kunnen de
pensioenfondsen door het akkoord laten varen. Het risico ligt immers nu
bij de verzekerde.

Bank En Effectenbedrijf Dekkingsgraad Pensioenen

HET IS UW
PENSIOENGELD! Denkt u daar eens over na. Zeker nu de overheid de kwestie van
aanvullende pensioenen praktisch gesproken over laat aan werkgevers en
werknemers kunt u als verzekerde eisen dat de beschikbare middelen niet
langer in het grote casino worden belegd, waar een voortdurende afroming
plaatsvindt door de groot speculanten met hun veelheid van ‘financiele
producten’ waarmee ze landen als IJsland, Ierland en Griekenland naar de
afgrond drijven.

U kunt
ervoor kiezen dat uw premies worden belegd in zaken waarin u meer vertrouwen hebt. Bijvoorbeeld in projecten, die gericht zijn
op het welzijn van planeet, mens, plant en dier. En in mensen en (kleinere)
bedrijven die zich daarvoor willen inzetten. Dit levert rendement op de lange
termijn. Een kwestie van geduld oefenen, dus. En dat is een eigenschap die op
de huidige financiële markten buitengewoon zeldzaam is, omdat vrijwel alles is
gericht op de snelle winst.  En beleggen
in de toekomst van aarde en mensheid wordt in meer dan financiële winst
uitbetaald.  De sociale winstgevendheid
zal minstens zo veel genoegen geven als uitsluitend het geld.

 (c) Ad Broere

Schapen

kudde schapen

Casper van Ewijk, adjunct directeur Centraal Planbureau  in Buitenhof op
12 juni 2011:

We dachten zekerheid te hebben met onze pensioenen, maar dat blijkt niet zo
te zijn.’

In normaal Nederlands: Pensioenfondsen hebben in de afgelopen decennia een
langjarig beleid gevoerd, dat was gespeend van een duidelijke visie op de
toekomst.

‘Pensioenfondsen hebben belegd in aandelen, wat gemiddeld een hoger
rendement heeft opgeleverd, maar waaraan wel risico’s blijken te zitten.’

In normaal Nederlands: Pensioenfondsen hebben gegokt met ons geld, zwaar
verloren en houden ons nu de rekening voor.

‘De financiële buffers die pensioenfondsen aanhouden gaan naar beneden,
worden lager dan de huidige 25%.’

In normaal Nederlands: We gaan potverteren om de lopende afspraken zoveel als
mogelijk te kunnen nakomen, dit ten laste van vooral de jongere generatie.

‘De rekenrente wordt flexibel’

In normaal Nederlands: Als het misgaat met banken en beurzen, dan zitten wij
met z’n allen met de brokken. De overheid en het bedrijfsleven zullen eventuele
tekorten niet suppleren.

Een reactie op www.Joop.nl op bovenstaand artikel:

Ad Broere geeft een hoop uitleg in dit stuk. Wat ik er onder
andere uit opmaak is dit:

Het toekomstige pensioenstelsel brengt een hoop risico’s met zich mee voor de
werknemer. En geen enkel risico, zelfs minder risico’s, voor de werkgever.

Waarom zijn de bonden en de PvdA hier zo klakkeloos mee akkoord gegaan?
Natuurlijk moest er iets gebeuren. Langer doorwerken was niet te vermijden.
Maar de risicoverdeling die en passant is doorgevoerd, die hadden we nooit
moeten accepteren. Het had structureel anders gemoeten. Met minstens zoveel
risico voor werkgevers als voor werknemers.

Alexander Raaijmakers, 21 september 2011 

Brieven over pensioenen

in het Financiële Dagblad (3-1-2012):

Korting op pensioenen volstrekt onnodig

‘Korting pensioenen onontkoombaar’ kopt het Fd op 28 december omdat het
merendeel van de pensioenfondsen onder de voorgeschreven dekkingsgraad
van 105% is beland. de belangrijkste oorzaak is de lage marktrente die
als rekenrente moet worden gebruikt. deze marktrente is echter in 200
jaar nog nooit zo laag geweest. Hanteren van de marktrente om daarmee de
toekomstige rendementen op het opgebouwde pensioenkapitaal te bepalen
is absurd en wel om de volgende redenen: 1. Pensioenfondsen hebben een
beleggingshorizon tot 55 jaar.

Het is dwaas om ervan uit te gaan dat we 55 jaar lang deze lage rente
zullen houden. 2. daarbij komt dat FEd (0,25%) en ECB (1%) de marktrente
kunstmatig omlaag drukken. Zodra ze stoppen om geld met deze lage
rentes in de markt te pompen, keert de marktrente snel terug naar de
normale hoogte. 3. Een normale marktrente zou nu, zonder deze
interventies, liggen op zo’n 5%, te weten 2,6% inflatievergoeding en
circa 2,5% reële rente.

Hoe dwaas hanteren van de marktrente als rekenrente is, blijkt naar een
blik op de jaren 1971 tot 1977. Toen was inflatie 8% tot 11% met
rentepercentages van 10% tot 12,5%. Als deze marktrente als rekenrente
zou worden gehanteerd, komen we op dekkingspercentages van 300% en meer.
Niets aan de hand dus volgens de toezichthouder, maar intussen wordt de
koopkracht van de pensioenen snel uitgehold en daar heeft niemand
behoefte aan.

Cees Roelofs, Doorn

Alternatief

Richtlijn 2003/41/EC bepaalt dat pensioenfondsen hun
pensioenverplichtingen contant maken tegen een rekenrente van maximaal
het gerealiseerde en verwachte rendement op hun beleggingen en/of de
marktrente op AAA-bedrijfsobligaties en staatsleningen. de AAA
rentecurve van de ECB wordt in de EU algemeen gebruikt. Elders schijnt
men onze pensioenproblemen dan ook niet te hebben. Lidstaten zijn
bevoegd aanvullende en gedetailleerdere eisen te stellen, mits in het
belang van verzekerden en gepensioneerden. dNB (& SoZaWe) heeft deze
bevoegdheid gebruikt om een alternatieve rentecurve in elkaar te
knutselen, de ‘swapcurve’, en die aan de pensioenfondsen op te leggen.
de elementen daarvan worden ontleend aan derivaten en Euribor — zeer
volatiel, en verre van risicovrij.

Met de Alleingang van dNB zijn de te beschermen belangen niet gediend.
We zitten hier met de uitkomst van een rekensom waarin foute elementen
zijn gebruikt. Gepensioneerden en werkgevers betalen de rekening.

Nederland heeft Richtlijn 2003/41/EC verkeerd geïmplementeerd.

Geldend EU-recht stelt daarop de sanctie van directe werking.
Pensioenfondsen hebben daardoor het recht (en ook de plicht) de
rekenregels van de Richtlijn rechtstreeks toe te passen. Een procedure
met prejudiciële vragen aan het EU-Hof in Luxemburg lijkt een haalbaar
alternatief voor korting.

Mr. I.K. Koutstaal RBA, Ede