ING gedagvaard door advocaat

12 januari 2014 (bijgewerkte versie) Commerciële banken willen ons doen of laten geloven, dat wij schulden bij hen maken, of schat- of schuldplichtig aan hen zijn, terwijl er veeleer sprake is van het tegenovergestelde. Er kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor het feit dat bankiers hun schuldencreatie – hun verdienmodel – zien als een wezenlijke bijdrage, dat hen geeft het recht op de vruchten van andermans arbeid en kapitaal, in de vorm van rente, of zoals de gewezen grootindustrieel Henry Ford (*1863 – +1947) het treffend verwoordde: ‘A business that makes nothing but money is a poor business’. Daar komt nog bij, dat er geen rechtvaardiging kan worden gevonden voor het feit dat het commerciële banken is gegeven om nota bene staatsgeld – onze euro en ons geld – uit het niets te mogen creëren, teneinde daarover van ons rente – hun winst over staatsgeld; onze euro en ons geld – op te eisen. Paul van de Waarsenburg dagvaardt de ING Bank om zich te verantwoorden voor de manier waarop geld wordt gecreëerd en voor het door de bank toegepaste verdienmodel (gekoppeld aan de hoeveelheid geld). Naar aanleiding van een aantal reacties op de vorige versie van ter zake kundige  juristen, die van de Waarsenburg hebben geadviseerd, is de dagvaarding aangepast voordat het definitief onder de rechter komt.

 

Vandaag, de tweeduizendenveertien

heb ik,

 

op verzoek van

PAULUS LOUIS ODA VAN DE WAARSENBURG, hierna te noemen: “eiser”, procederend in persoon, die in deze zaak woonplaats kiest op het kantoor van Aarts & Van de Waarsenburg Advocaten/advocaat de heer mr. P.L.O. van de Waarsenburg, gevestigd te (6524 EH) Nijmegen, aan de Sint Annastraat 57, terwijl tevens woonplaats wordt gekozen te Amsterdam ter griffie van de Rechtbank Amsterdam, Afdeling privaatrecht, team kanton,

GEDAGVAARD

de naamloze vennootschap ING BANK N.V., hierna te noemen: “gedaagde”, gevestigd te (1102 MG) Amsterdam, aan het Bijlmerplein 888, op welk adres de dagvaarding is uitgebracht, waarbij een afschrift is overhandigd aan:

 

om op tweeduizendveertien, om uur des middags,

in persoon dan wel bij gemachtigde te verschijnen op de terechtzitting van de Rechtbank Amsterdam, Afdeling privaatrecht, team kanton. Deze terechtzitting zal gehouden worden in het gerechtsgebouw te (1076 AV) Amsterdam, aan de Parnassusweg 220.

Gedaagde kan er ook voor zorgen dat een met redenen omklede schriftelijke conclusie van antwoord (in tweevoud) vóór die terechtzitting ter griffie van de Rechtbank Amsterdam, Afdeling privaatrecht, team kanton, wordt ingediend, of op die terechtzitting aan de kantonrechter wordt overhandigd.

De conclusie van antwoord vermeldt de bewijsmiddelen waarover gedaagde kan beschikken ter staving van de gronden van haar verweer alsmede de getuigen die zij daartoe kan doen horen. Gedaagde dient tegelijkertijd een afschrift van het exploot van de dagvaarding te overleggen.

De Rechtbank kan aan gedaagde, indien zij daarom vraagt, uitstel verlenen om een conclusie van antwoord in te dienen. Indien gedaagde niet zelf, of bij gemachtigde mondeling of schriftelijk antwoordt, noch om uitstel verzoekt, bestaat er de mogelijkheid, dat de Rechtbank de hierna omschreven vordering van eiser bij verstek zal toewijzen, tenzij de Rechtbank deze vordering onrechtmatig of ongegrond acht.

Op deze terechtzitting zal op basis van de hieronder weergegeven feiten, de daarna volgende eis worden ingesteld:
THE GODFATHER

1.
Wat eiser betreft moest deze dagvaarding ervan komen, al was het alleen maar vanwege een bewezen schrijnend gebrek aan kennis van ‘bepaalde financiële zaken’ bij hem. Dat is misschien nog tot daar aan toe, maar inmiddels is vast komen te staan dat daarvan ook sprake is binnen de gelederen van gedaagde/ING en – zelfs – De Nederlandsche Bank (DNB).

2.
Vooraleer deze zaak werd ingeschreven op de rechtbankrol, passeerden vele conceptdagvaardingen van eiser de revue. Eisers dagvaardingen werden verzonden en weer teruggeroepen. Het kwam zelfs zo ver dat een ten kantore van gedaagde uitgebrachte dagvaarding, vervolgens niet bij de rechtbank werd aangebracht, wegens inkomende nieuwe wederwaardigheden. Het lijkt voor eiser niet en nooit goed te zijn, hoewel hij in gemoede gelooft dat deze zaak voorkomt op de shortlist van meest rechtvaardige zaken ooit. Dat komt dan mede op het conto van überbankier Mayer Amschel Rothschild (voorheen Mayer Amschel Bauer; *1744 – +1812), die kennelijk vroeg en kreeg, verlof voor de volgende, ook door gedaagde gebezigde praktijk: (M.A. Rothschild) ‘Erlaube mir das Geld einer Nation herauszugeben und zu kontrollieren, dann ist es mir egal wer die Gesetze macht’. De stelling dat deze woorden ook daadwerkelijk door Rothschild zijn gebezigd, durft eiser niet voor zijn rekening te nemen. Dit in tegenstelling tot het waarheidsgehalte daarvan.

3.
Zodra het aankomt op het onderwerp banken en hun in- en aanpalende belanghebbenden, is het voor eiser schier onmogelijk, niet van de ene in de andere nader onderbouwde ‘vloek en zucht van verbazing, ergernis en woede’ te rollen. Daarbij heeft eiser zich in deze kwestie menigmaal hardop afgevraagd, of hij het soms niet goed ziet, of hij zich soms gênant gedraagt en of hij degene is die zich schuldig moet voelen. Toch komt het eiser hoe dan ook als zeer aanbevelenswaardig de positie van banken en legitimiteit van hun doen en laten – eiser doelt dan met name op hen gegeven recht van geldschepping en renterecht -, kritisch tegen het licht te houden. Voorbeeld: een op (haar) winst gerichte bank als gedaagde – een 100% private onderneming; http://managementscope.nl/bedrijf/ing-groep -, is het de facto gegeven, om als een klassieke absolutistische vorst staatsgeld – vroeger guldens, thans euro’s – te creëren, waarvoor zij haar klanten – ook het Nederlandse volk – rente in rekening mag brengen. In ‘the good old bad days’ heette dat tiendplicht. Het valt voor eiser moeilijk te rijmen dat een bedrijf als gedaagde – een ordinaire private onderneming -, in wezen in handen is gegeven, iets dat behoort te zijn een exclusieve staatsaangelegenheid, namelijk geldcreatie: de creatie van zogenaamd ‘onze euro’, welke euro naar de mening van eiser absoluut niet van ons is, maar vooral van banken – veelal poenscheppende private ondernemingen -, die daaromheen, al dan niet met stilzwijgende instemming van (supra-)nationale regeringen-overheden (die daarvan meeprofiteren), hun verdienmodel hebben gecreëerd, te hunnen bate en ten koste van het overgrote deel van de bevolking. Voor de goede orde, onder ‘staatsaangelegenheid’ verstaat eiser bovenal: een proces dat onder adequaat toezicht staat van een democratisch orgaan, bijvoorbeeld de Tweede Kamer, welke staatsaangelegenheid ook staat voor dienstbaarheid aan het volk in haar algemeenheid en vooral niet aan private ondernemingen. Welnu, van een adequaat toezicht in dat kader, is in de verste verte geen sprake, hetgeen niet in de laatste plaats heeft geleid tot de kredietcrisis, waarin wij ons tot op de dag van vandaag nog steeds bevinden, om over de mede daar ingebakken non-dienstbaarheid aan het volk nog maar te zwijgen. Een zoveelste triest voorbeeld vormt de weigering van de Europese Centrale Bank-De Nederlandsche Bank (ECB-DNB) – de Godfather van gedaagde -, om de Algemene Rekenkamer inzage te geven in haar administratie met betrekking tot haar toezicht op SNS Reaal, teneinde de kwaliteit van dat toezicht onder de loep te kunnen nemen. Dat stond DNB niet toe, terwijl de Algemene Rekenkamer nota bene het oog en de informateur van de Tweede Kamer is… Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Algemene_Rekenkamer en http://kredietcrisis.rekenkamer.nl/nl/over-deze-site/controlebevoegdheden-Algemene-Rekenkamer
en http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2680/Economie/article/detail/3023501/2011/11/09/DNB-geeft-Rekenkamer-geen-inzicht-in-toezichtdossiers.dhtml en http://www.rekenkamer.nl/nieuwsbrief/Opzet_toezicht_DNB_op_banken_beter_praktijk_niet_te_controleren/Opzet_toezicht_DNB_op_banken_beter_praktijk_niet_te_controleren.
Dit toont eens te meer aan dat commerciële banken op een non-democratische en schizofrene wijze de hand boven het hoofd wordt gehouden, terwijl het ook hier draait om het gebruik, of beter gesteld: creatie, verbruik en misbruik van staatsgeld – ons geld en onze euro -, door een commerciële bank te haren bate en als het mis gaat betaalt ook eiser, zo is gebleken, gewoon de rekening! Zelfs indien wordt uitgegaan van de premisse dat commerciële banken een wettelijk recht hebben geld te mogen creëren – quod, uitdrukkelijk non! -, dan valt hoegenaamd geen rechtvaardiging te vinden voor het feit dat zij zich kunnen laven op basis door hen geschapen/gecreëerd staatsgeld – ons geld, onze euro -, voor welk staatsgeld wij wel letterlijk de hand aan de ploeg moeten slaan. Om die reden maakt het ook helemaal niets uit, of al dan niet uit Rothschild’s mond is gerold: ‘Erlaube mir das Geld einer Nation herauszugeben und zu kontrollieren, dann ist es mir egal wer die Gesetze macht’. Kortom, in het huidige (financiële) systeem, is het commerciële banken gegeven, om in het kader van hun winstmaximalisatie, voor vooral henzelf, met in hun slipstream (supra-)nationale overheden, te spelen met staatsgeld – ons geld, onze euro –, met een ‘als het zoveelste kalf verdronken is, dempt men voor de zoveelste keer de put controle’ achteraf, voor zover deze controle achteraf überhaupt wordt – niet is, maar wordt! – toegestaan. Eiser leeft in een land, waarin zelfs het oog en de adviseur van onze volksvertegenwoordiging, de Algemene Rekenkamer, zich niet wel voelt. Met zijn hieronder staande eis wil eiser ook duidelijk maken, de schande van het verbruik van staatsgeld – ons geld, onze euro –, door een private onderneming als gedaagde. Als klap op de vuurpijl, hebben wij ‘staatsgeldgoochelaar’ gedaagde uit de door haarzelf gegraven put moeten halen, terwijl wij er ook – beter – voor hadden kunnen kiezen, het zand over de zombie te schuiven, met de groeten uit IJsland!; zie hierna. Voorts heeft eiser geen enkel vertrouwen in het totaal vernachelde europroject, al was het alleen maar omdat dat ‘ver van zijn bed project’ totaal geen adequate (democratische) controle kent en niet meer is dan een ‘te gênant voor woorden verdienmodel’ , in handen van gewiekste zakenlieden, met de groeten van de Algemene Rekenkamer!

4.
Wat daar verder ook van zij, bankiers willen ons, waaronder eiser, ook doen of laten geloven dat wij met staatsgeld – ons geld, onze euro – met rente te vergoeden schulden bij hen maken, of schat-, schuld- of tiendplichtig aan hen zijn, terwijl er veeleer sprake is van het tegenovergestelde. Alleen al die situatie is te bezopen voor woorden. Hoe dan ook, er kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor het feit dat bankiers hun schuldencreatie – hun verdienmodel – zien als wezenlijke bijdrage, dat hen geeft het recht op de vruchten van andermans arbeid en kapitaal, in de vorm van rente, of zoals de gewezen grootindustrieel Henry Ford (*1863 – +1947) het treffend verwoordde: ‘A business that makes nothing but money is a poor business’. Ook daarom ziet eiser geen enkele reden, om meer daarvoor te betalen – lees ook: om meer daarvoor te arbeiden –, dan redelijkerwijs noodzakelijk is, met de groeten van Snowball and Napoleon!; http://www.trouw.nl/tr/nl/4504/Economie/article/detail/3529332/2013/10/18/Rijkman-als-belichaming-van-graaiersmentaliteit-in-bankwezen.dhtml.

5.
Mede indachtig voormelde uitlating van Henry Ford, lijkt het gezonde verstand in IJsland wel post te hebben gevat en wel op een wijze die eiser zeer aanspreekt. De verpersoonlijking van het gezonde verstand, is de IJslandse president Olafur Grímsson, die zich in 2013 onder andere als volgt heeft uitgelaten: ‘If you send a signal to the bankers that they can take all the risks they want to take, they will be rewarded financially in an extraordinary way. But if they fail, the bill will always be sent to taxpayers, ordinary people, fishermen, farmers, doctors, teachers, nurses and so on. But in addition we introduced currency control instruments. And we didn’t introduce social austerity measures as demanded by leaders in many different parts of Europe for their own countries at the moment’; http://www.dw.de/grimsson-imf-learned-new-lessons-in-iceland/a-16565334. Inmiddels lijkt de arrogantie binnen de gelederen van gedaagde – een non-onderneming en tevens een van burgerwege gesubsidieerd instituut, wederom geen grenzen te kennen; http://nos.nl/artikel/590365-ing-tegen-bonusplan-dijsselbloem.html.

6.
In dat kader is het luisteren naar het volgende meer dan waard: ‘The Dark Side of the Federal Reserve The Founding of the Federal Reserve and the Extreme Secrecy Behind It’, met daarbij de aantekening dat, naar de mening van eiser, de ‘Europese situatie’, niet wezenlijk afwijkt van die in de Verenigde Staten;
http://www.financialsense.com/financial-sense-newshour/g-edward-griffin/dark-side-federal-reserve. De spreker, G. Edward-Griffin (http://en.wikipedia.org/wiki/G._Edward_Griffin), auteur van de onverbiddelijke bestseller ‘The Creature of Jekyll Island’, komt onder meer op de proppen met een ander idee: dereguleer het (huidige) bancaire/financiële systeem, met de volgende achterliggende gedachte: ‘get rid of it’, tenzij volksplundering en -uitbuiting op basis van een ‘easy money maker’, zoals artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht (Wft) – hierna meer daarover – wordt aanvaard als zijnde de gewoonste zaak van de wereld, hoewel dit wetsartikel niets anders is dan afdracht van onze volkssoevereiniteit en het recept voor slavernij. Slechts weinigen lijken het letterlijke en figuurlijke beulswerk à la Animal Farm van dat wetsartikel te doorzien.

7.
Eiser refereert aan http://www.anarchiel.com/display/de_wereld_in_gijzeling._deel_iv_het_verraad_van_oranje, van welke website eiser het volgende citaat heeft betrokken:

‘Voorheen verzorgden overheden de uitgave van geld zelf. Met het nieuw verworven recht van een groep privébankiers om onbeperkt geld te mogen creëren voor de koning tegen een rentevergoeding is het fenomeen staatsschuld geïnstitutionaliseerd. Het is het ultieme machtsmiddel. De ‘Glorious Revolution’ is geen godsdienstrevolutie maar een ‘Glorious Banking Revolution.’ Van alles wat deze revolutie teweeg heeft gebracht bij de mensheid is de almacht van de centrale banken en de schuldslavernij de meest ingrijpende.

De rente die de bank aan de staat oplegt, vordert de staat terug via belasting van haar onderdanen. Niet langer staat het geld ten dienste van het volk maar staat het volk ten dienste van het geld. Van ‘mon pauvre peuple’ is ook bij deze derde Willem – residerend in door Daniël Marot ontworpen lusthoven als het weelderige Hampton Court en ‘Klein Versailles’, oftewel Paleis het Loo – niet het minste sprake.’

Eiser kan daaraan toevoegen, dat gedaagde een stevige medepleger is van schuld-, of renteslavernij, mede op basis van artikel 1:1 Wft, welk artikel gerust een modern koningsartikel, althans een relict uit het ancien régime (http://nl.wikipedia.org/wiki/Ancien_r%C3%A9gime), kan worden genoemd. Hoe is het in vredesnaam mogelijk dat commerciële banken – private ondernemingen – het recht op geldcreatie is gegund! Wat een gigantisch verlies van en voor een democratische rechtsstaat, voor zover daarvan überhaupt nog kan worden gesproken, althans wie o wie heeft hier toch zo verschrikkelijk liggen slapen and never ever underestimate the power of the words, which could be from Mayer Amschel Rothschild: ‘Erlaube mir das Geld einer Nation herauszugeben und zu kontrollieren, dann ist es mir egal wer die Gesetze macht’. Het is gedaagde gegeven door haar (uit het niets gecreëerde) euro’s – staatsgeld, ons geld! – uit te geven, te controleren en commercieel uit te baten. Daaraan doet een nacontrole van bijvoorbeeld een centrale bank (ECB/DNB) of een AFM niets (af), voor zover deze entiteiten controle überhaupt toelaten, met – wederom – de groeten van de Algemene Rekenkamer; een grote en grove schande.

8.
Eiser brengt in stelling een citaat dat afkomstig is van chief economist Han de Jong, van ABN AMRO: ‘Eigenlijk het grootste gedeelte van het geld dat in omloop komt in de economie, komt eigenlijk via het bankwezen.’ De Jong draait vooral om de hete brij heen en wekt bij eiser de nodige irritatie met ‘small talk’ als: ‘Nee, geld wordt niet uit het niks gecreëerd – wat een nonsens; PW -, want banken hebben een balans en die moet natuurlijk goed in evenwicht zijn en als een bank geen ruimte heeft om krediet te verlenen, dan gaat het niet, maar onder normale omstandigheden wordt er geld gecreëerd en dat is goed voor de economie’. Wat verkondigt De Jong nou eigenlijk in concreto en hoezo ‘onder normale omstandigheden is geldcreatie is goed voor de economie’, zittend te midden van de scherven van een crisis als gevolg van een voortdurende omgekeerde bankroof middels ongebreidelde geldcreatie uit het niets, die zijn weerga niet kent? De Jong lijkt niet alleen de interviewster weg te zetten als de eerste beste kleuter. In ieder geval voelt eiser zich door De Jong beslist niet au sérieux genomen; bron: http://www.abnamro.com/nl/newsroom/Videos/interview-han-de-jong-tros-radar.html). Ondanks een fully proved demasqué van onder andere ABN AMRO, durft De Jong het wel aan de verantwoordelijkheid voor geldcreatie(regulatie), in de schoenen van de centrale bank te schuiven, terwijl laatstgenoemde de facto weinig meer heeft kunnen doen of heeft gedaan, dan met het nodige kunst- en vliegwerk voor rekening van de burger, de puinhoop opruimen die onder andere eerstgenoemde ervan heeft gemaakt; sorry mijn fout! De Jong draaft vervolgens wel erg ver door, met de stelling ‘dat de centrale banken vanaf 2000 een impuls hebben gegeven aan de geldcreatie’, omdat hij daarbij ‘vergeet’ te vermelden dat de zeker toen private onderneming ABN AMRO, als ‘ultieme money out of thin air creator’, op dat vlak wel wis en waarachtig de eindverantwoordelijkheid droeg, maar nee, een bedrijf meent de schuld te kunnen afschuiven op een ander; sorry mijn fout, of eiser ziet niet goed! Bovendien is ABN AMRO, net als gedaagde, een – gebleken! – door het belastingbetalende volk gesponsorde onderneming, zonder iets dat ook wel wordt genoemd, de niet meer dan logische last van ondernemersverantwoordelijkheid, dat nu eenmaal aan de basis staat van niet meer dan normaal ondernemerschap. Zolang een bank als gedaagde – nog steeds – geen fatsoenlijke ondernemersverantwoordelijkheid aan de dag kan leggen en als vermeende onderneming sterk afhankelijk is en blijft van (kunstmatige) (in)directe hulp van derden –burgers/belastingbetalers/spaarders/pensioengerechtigden, ECB/DNB, Federal Reserve (Fed), Europese Unie (E.U.), staatsgeld (onze euro, ons geld), et cetera –, heeft zij geen bestaansrecht. Als eiser in ogenschouw neemt, de door gedaagde gepraktiseerde derivatenhandel – onder andere off-balance hypotheeksecuritisaties – en daarbij acht slaat op de waarschijnlijke strekking van artikel 1:1 Wft, dan beseft zelfs hij dat in dat kader aankijkt tegen de toren van Babel, althans tegen ‘een ongeluk in slow motion’, zoals dat door hem – eiser – wordt ervaren uiteraard. Ieder zijn meug; http://www.eo.nl/algemeen/video/-a-/player/-mc-/s/-stream-/34804/#; een gesprek met financieel geograaf prof. dr. Ewald Engelen in EO’s ‘Dit is de dag’ d.d. 21-11-2012.

9.
Het in deze procedure voor eiser meest belangrijke punt, namelijk de sinds jaar en dag in zwang zijnde praktijk van rentecreatie door een vermeende commerciële bank als gedaagde – rentecreatie is net zo goed geldcreatie; PW –, over uit het niets gecreëerd geld, werd eveneens listig ontweken of verzwegen door voormelde De Jong, van de ABN AMRO. Een bank – ook gedaagde –, wil nu eenmaal niets liever dan zoveel mogelijk geld uit het niets creëren (=kredietverstrekking), opdat zij voor zichzelf zoveel mogelijk (rente)winst kan genereren. Let wel, met geldcreatie (kredietverstrekking) op zichzelf lijkt weinig mis te zijn, zulks in tegenstelling tot het motief rente (=geld) over geld uit het niets te willen trekken, welke rente in veel gevallen qua hoogte het verstrekte krediet overstijgt, waarbij een bank als bijvoorbeeld gedaagde wordt onderhouden door hen aan wie zij haar krediet sleet en slijt; een vorm van slavernij. Aldus zijn velen in onze samenleving, mede als gevolg van dit verfoeilijke mechanisme, in financiële verdrukking geraakt. Zij werden en worden niet gered, in tegenstelling tot gedaagde die, zo is gebleken, geen ondernemersverantwoordelijkheid heeft getoond en het zich verwaardigt de schuld van haar falen in andermans schoenen te schuiven. Vertel dat maar eens aan die tienduizenden Nederlandse bedrijven die vanaf 2009 op de fles zijn gegaan. Kortom, hier is sprake van klassenjustitie pur sang, waarvan wij, zo verwacht eiser, spijt zullen krijgen in de vorm van onder andere geldontwaarding, verkapte diefstal van onze pensioen- en spaartegoeden en continuering van geïnstitutionaliseerde slavernij, althans eiser heeft geen vertrouwen in een oranje leeuw, die zich van alles en nog wat meent te kunnen permitteren.

THE CREDIT RIVER CASE

10.
In 1968 speelde er in de Amerikaanse staat Minnesota een rechtszaak, die ook wel bekend staat onder de naam ‘Credit River Case’ (http://en.wikipedia.org/wiki/First_National_Bank_of_Montgomery_v._Jerome_Daly). Deze rechtszaak was aangespannen door advocaat Jerome Daly. Deze Daly vocht aan de voorgenomen inbeslagname van zijn huis door de bank, die hem op enig moment daarvóór, een geldlening had verstrekt, in ruil voor Daly’s tegenprestatie, namelijk schuldaflossing en rente en zijn huis als onderpand (hypotheek). Daly’s argument tegen de voorgenomen inbeslagname van zijn huis luidde: het hypotheekcontract tussen hem en de bank vereist dat eenieder wettig bezit – een goed (bijvoorbeeld geld) dat al existeert – moet inbrengen.

11.
Dat Jerome Daly, in zijn zaak tegen de bank, een wezenlijk punt had, lag niet in de laatste plaats aan het feit dat banken geld uitlenen, waarover zij aanvankelijk niet – eiser herhaalt: niet – beschikken, ook niet indirect, in de vorm van aangehouden reserves, tenzij het aanhouden van een eigen vermogen van rond de 3% een magisch effect sorteert. Dat banken geld van bijvoorbeeld hun spaarders aanwenden om aan anderen uit te lenen, is een verhaal, dat op zichzelf beschouwd zeer wel afkomstig zou kunnen zijn van de 19e eeuwse sprookjesverteller Hans Christian Andersen.

12.
Eiser komt terug op de rechtszaak van Jerome Daly die, zo’n 45 jaar geleden, de rechtbank duidelijk maakte dat het aan hem geleende geld, feitelijk nimmer toebehoorde aan de bank. Daly’s argument luidde, dat geld – dat op een papier geschreven of getypte bedrag aan Amerikaanse dollars –, uit het niets was gecreëerd, direct na het ondertekenen van het contract tussen hem en de bank. De rechtbank was het daarmee eens en besliste, dat er om die reden geen sprake was van een rechtsgeldige overeenkomst en kwam tot een vonnis d.d. 09-12-1968 (productie 1), strekkende tot verwerping van de door de bank ingediende eis voor inbeslagname van het huis. Aldus mocht Daly daarin blijven wonen.

13.
Eiser beseft zich terdege dat het hier betreft buitenlandse jurisprudentie, in de vorm van een vonnis van een Amerikaanse vrederechter. Wat daar verder ook van zij, dit vonnis raakt om meerdere redenen de snaar van eisers rechtvaardigheidsgevoel, waarmee weliswaar nog niet is gezegd, dat dan of daarmee rechtszaken worden gewonnen. Echter, aan het gegeven dat een rechter in de zaak van Jerome Daly reeds een streep zette door het fenomeen geldcreatie uit het niets, kan wat eiser betreft, niet zonder meer worden voorbijgegaan. Zulks klemt des te meer, omdat in de rechtszaak van Jerome Daly de facto – zelfs – niet eens werd toegekomen aan het aspect rente over geld dat uit het niets is gecreëerd. Anders geformuleerd: de facto werd vanwege een bank, een bedrag op een vel papier getypt. Vervolgens werd dat op een vel getypte bedrag uitgeleend aan Daly, die dat bedrag met rente aan de bank moest terugbetalen. Ook rechtbank vond dat kennelijk maar een te gortige gang van zaken – ‘geld op een vel papier typen’ en dat uitlenen aan Daly – en kwam kennelijk niet eens meer toe aan de beoordeling of het vragen van rente over dat op een vel papier getypt bedrag juridisch gezien wel door de beugel kon.

14.
Laat er geen misverstand over bestaan dat de door gedaagde gevoerde (bank)praktijk, in feite identiek is aan de praktijk van de bank in de zaak van Jerome Daly, met dien verstande dat gedaagde de door haar uit te lenen bedragen niet slechts op een papier typt, maar ook aanslaat in een digitale gegevensdrager (computer), waarna deze aangeslagen bedragen virtueel/digitaal worden getransfereerd naar de bankrekening van de geldlener, van wie vervolgens wordt verwacht dat hij of zij de ‘hand aan de ploeg blijft slaan’, om aan een lui achterover leunende bank als gedaagde, aflossing te betalen alsmede rente op te brengen, vanwege een bedrag dat een bank als gedaagde daarvoor heeft aangeslagen in een digitale gegevensdrager (computer). Eiser noemt dat ook een gecultiveerde vorm van slavernij, tenzij de eenvoud van het aanslaan van een geldbedrag in een computer tevens vormt, een moreel recht van een ander – de geldnemer -, een op wezenlijke arbeid en/of wezenlijk kapitaal gebaseerde rentevergoeding te verlangen, naast aflossing.

DE PRAKTIJK VAN GEDAAGDE

15.
Eiser kan zich hoe dan ook niet verenigen met voormelde, niet door enige wet gedragen of gesanctioneerde (bank)praktijk van geldcreatie uit het niets, zoals hiervoor bedoeld, laat staan dat hij kan instemmen met een daaraan gekoppeld recht, daarover een substantiële rentevergoeding te verlangen, zoals hiervoor nader is geëxpliciteerd. Back to The States, 1968. Judge Mahoney: ‘Only God can create something out of nothing’ (productie 1). Overigens beschrijft Mahoney niet, althans niet duidelijk, een ook eiser onbekend feitelijk proces van geldschepping, of beter gesteld valutaschepping, van begin tot eind; ‘procedé x’. Naar de mening van eiser, leidt dat proces, volstrekt ten onrechte, tot rentestipulatie en -generatie, met veelal daarbij behorende arbeidsinzet en/of kapitaalinzet en/of ‘arbeids- en kapitaalroof’, alias ‘sla de hand voor ons aan de ploeg en maak ons de mensen in bonus’.

16.
Met deze laatste terminologie wenst eiser duidelijk te maken, dat rentestipulatie en -generatie impliceert: ontneming, wegneming en diefstal van andermans reële of intrinsieke arbeid en/of reëel of intrinsiek kapitaal. Zulks klemt te meer in tijden van economische krimp, althans geldonttrekking uit, of kredietafname in het (economische) systeem. Het fenomeen rente – een overdrachtelijke gecultiveerde zweep -, zorgde en zorgt voor slachtoffers, onder andere in de vorm van hypotheekgevers, of andere kredietnemers, die zich ook heden ten dage geconfronteerd zien met financieel-economische malheur ten gevolge van het, naar de mening van eiser, verderfelijke systeem van rente.

17.
Met vrucht kan worden betoogd, dat niet valt in te zien dat een bank als gedaagde – een non-onderneming -, haar verdienmodel nog steeds kan en mag laten stoelen op door haar, digitaal uit het niets gecreëerd geld en daaruit voortvloeiende rente-inkomsten. Het is een wonder dat een bedrijf als dat van gedaagde een verdienlicentie – easy money licence – toegestopt heeft gekregen, in de vorm van artikel 1:1 Wft. Daarmee wil eiser tevens aangeven, dat niets daarbij in de weg staat de figuur ‘bankrente’ per direct af te schaffen, althans deze voortaan synoniem te laten zijn voor niet zo maar een vergoeding, maar een vergoeding als tegenprestatie voor bijvoorbeeld een in tijd afgemeten dienst van wezenlijke waarde. Volgens eiser valt onder een ‘dienst van wezenlijke waarde’ niet, althans nauwelijks, het digitaal uit het niets creëren van geld, of nog beter gesteld, daaronder valt niet, een aangeslagen, of aan te slaan (digitaal) bedrag, zoals – eiser doet (‘typt’) het even voor – € 500.000,-.

18.
Alles goed en wel, in de hiervoor beschreven situatie: banken creëren digitaal geld uit het niets – dit na een ook voor eiser mysterieus, daaraan voorafgaand proces (‘procedé x’) -, is tot op de dag van vandaag geen verandering gekomen. In tegenstelling tot andere bedrijven – niet-banken –, kan een bank geld – bijvoorbeeld een bedrag in euro’s – creëren, middels het aanslaan van een geldbedrag in een computer – dat kan eiser ook wel, zo is gebleken -, waarna die bank dat bedrag – dat geld -, door middel van een druk op de computerknop, aan een ander kan uitlenen – een digitale geldtransfer -, in ruil voor door die bank bedongen aflossing en rente. Sir Mervyn King, gouverneur/president van de Bank of England (BoE; pendant van de ECB), zei het op 23-10-2012 als volgt: “When banks extend loans to their customers, they create money by crediting these customers’ accounts.” Zoals hiervoor reeds is aangegeven, vormt dat niet het hele verhaal. Ook de Britse krant The Guardian laat er, blijkens een 12-03-2013 gedateerd artikel van de hand van professor Jem Bendell, geen gras over groeien: “This monetary system also means that although individually we might pay off our debts, collectively we are in debt forever, paying interest to the banks.”, waarvan akte!; http://www.theguardian.com/sustainable-business/alternative-monetary-systems-address-economic-problems.
In het kader van gebleken geldcreatie uit het niets, refereert eiser onder andere aan:
– ;
– http://www.youtube.com/watch?v=D3oyPRP9WVw;
– http://www.stomverbaasd.com/dirk-bezemer-universiteit-groningen-legt-uit-dat-banken-geld-uit-het-niets-creeren-video/;
– https://www.youtube.com/watch?v=7hqUrpS0KwE;
– http://www.youtube.com/watch?v=bmR4qtEdu0I.

19.
Als eiser liegt over de gangbare praktijk van een tevens ‘fractioneel reserve bankierende’ gedaagde – het bedrijf van gedaagde met een eigen vermogen van 0%, althans minder dan rond de 3% – dan liegt hij in commissie. De Amerikaanse ex-senator Ron Paul (*1938) zei daarover het volgende : ‘As Murray Rothbard put it, ‘Fractional reserve banks … create money out of thin air. Essentially they do it in the same way as counterfeiters. Counterfeiters, too, create money out of thin air by printing something masquerading as money or as a warehouse receipt for money. In this way, they fraudulently extract resources from the public, from the people who have genuinely earned their money. In the same way, fractional reserve banks counterfeit warehouse receipts for money, which then circulate as equivalent to money among the public. There is one exception to the equivalence: The law fails to treat the receipts as counterfeit’; bron: http://www.examiner.com/article/ron-paul-our-current-banking-system-is-about-counterfeiting-money.

 

ARTIKEL 1:1 WFT: A CONFESSION OF AN ECONOMIC HITMAN

20.
Artikel 1:1 Wft (Wet op het financieel toezicht) definieert de term ‘bank’ als volgt: ‘degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen’. Dit, op een zeer vaagsluwe wijze geredigeerde wetsartikel, suggereert dat opvorderbare gelden, bijvoorbeeld het spaargeld van mijnheer Jansen, wordt aangewend voor een kredietuitzetting ten behoeve van mevrouw De Vries. Dat heeft niet in de laatste plaats te maken, met de in dat artikel opgenomen zinsnede ‘en’ (in plaats van ‘of’; PW) van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen’. ‘Voor eigen rekening’ lijkt te impliceren dat een bank als gedaagde haar (eigen) geld distribueert, maar daarmee wordt de waarheid geweld aangedaan, althans hier is op zijn minst een stevige nuancering op zijn plaats, met daarbij de mededeling dat het geld op de door gedaagde beheerde bankrekeningen geenszins haar eigendom is, zoals door ING, in haar brief d.d. 10-04-2013, ten onrechte wordt gesuggereerd (productie 2), waarvan akte! Een citaat uit deze brief (pagina 2, alinea 2): ‘Geld op een bankrekening is niet zo zeer op een bankrekening opgeborgen, als wel aan een bank toevertrouwt (sic; PW). De bank is daarmee eigenaar geworden van deze gelden en u krijgt daarvoor een vordering op de bank die gelijk is aan de waarde van de gelden die u aan de bank heeft toevertrouwd.’ Ook deze brief is het zoveelste voorbeeld van een schrijnend gebrek aan basale kennis bij hen, van wie mag worden verwacht dat zij daarover beschikken, anderzijds past ook dit inmiddels wel in het totaalplaatje van eiser.

21.
Kortom , geld op een bankrekening kent geen (juridische) eigenaar, ook al wil ING de buitenwereld dat wel laten geloven. Geld op een bankrekening, laat zich evenwel prima vergelijken met een kaartenhuis dat rechtop staat, zolang de ramen en gordijnen maar dicht blijven, mede indachtig Cyprus (Bank of Cyprus en Laiki Bank), Bear Stearns, Lehman Brothers, DSB, MF Global, de Argentijnse ‘Corralito’ (in 2001), en Texeira de Mattos (1966; Nederlandse bankrekeninghouders waren ook toen hun geld kwijt en revindicatie daarvan zat er ook voor hen niet in, want niemand was eigenaar daarvan).

22.
Artikel 1:1 Wft definieert de term ‘krediet’ als volgt: ”het aan een consument ter beschikking stellen van een geldsom, ter zake waarvan de consument gehouden is een of meer betalingen te verrichten”.

Ook in artikel 1.1 Wft komt het begrip ‘opvorderbare gelden’ voor. Opvorderbare gelden zijn volgens artikel 1:1 Wft: ”gelden die op enig moment terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald”.

Degenen (bijvoorbeeld spaarders) van wie de bank die gelden heeft verkregen, hebben slechts een vorderingsrecht strekkende tot terugbetaling daarvan, welk vorderingsrecht in het gedrang komt, in het geval de bank niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen, bijvoorbeeld omdat een (te) grote groep rekeninghouders hun banktegoeden opeisen. Zie in dat kader onder andere de reeds hiervoor gememoreerde ‘kwestie DSB’, waaruit eens te meer bleek, dat gedupeerde bankrekeninghouders, hun bij de bank (DSB) gestalde gelden niet konden herverkrijgen (revindiceren).

Zelfs door spaarders bij de bank (DSB) ingebrachte, van een uniek nummer voorziene bankbiljetten – stoffelijke goederen (zaken ex artikel 5:1 BW) – konden door hen niet konden her verkregen, omdat zij kennelijk geen rechthebbende (meer) daarop waren. Zij hadden slechts op (de faillissementscurator van) DSB, een vordering strekkende tot betaling van een geldsom – een relatief recht – en zij moesten een beroep doen op het zogenaamde depositogarantiestelsel (http://www.dnb.nl/over-dnb/de-consument-en-dnb/de-consument-en-toezicht/depositogarantiestelsel/#).

23.
Volgens artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, een zogenaamde ‘Capital Requirements Directive’ (CRD), dient onder een ‘bank’ te worden verstaan: ‘een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.’

24.
Zie voorts http://www.toezicht.dnb.nl/2/50-201916.jsp (website van De Nederlandsche Bank).

Eiser betrok daarvan de volgende tekst:

‘De betekenis van ‘bank’ in de Wet op het financieel toezicht (Wft) is van belang om te bepalen of bepaalde activiteiten onder één van de verboden van de wet vallen, dan wel of men in aanmerking kan komen voor een bankvergunning.

Wat is een bank?
Van een bank is sprake indien men zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen.

(…)

Kredietuitzettingen
Dit is het verstrekken van nominaal opvorderbare gelden aan een ander met het doel daardoor voordelen te krijgen. Nominaal opvorderbare gelden wil zeggen: geld dat op enig moment terugbetaald moet worden, en waarvan vaststaat hoeveel moet worden terugbetaald. De voordelen voor de geldverstrekker óf een aan hem gerelateerde partij moeten ‘op geld waardeerbaar’ zijn.

Voor eigen rekening
‘Voor eigen rekening’ kredietuitzettingen verrichten, wil zeggen: zelf het financiële risico lopen van die kredietuitzettingen. Indien iemand voor de kredietuitzettingen een winst- of verlies gerelateerde vergoeding ontvangt, handelt hij ook ‘voor eigen rekening’.

Bedrijf maken van
Iemand die buiten besloten kring opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen ter beschikking krijgt en voor eigen rekening kredietuitzettingen verricht, maakt zijn bedrijf van deze activiteiten als zij ‘zelfstandig identificeerbaar’ zijn én niet uitsluitend dienen ter ondersteuning van (andere) hoofdactiviteiten. Als de hoofdactiviteiten financieel van aard zijn, maakt het niet uit dat het aantrekken en uitzetten van de gelden ter ondersteuning van de hoofdactiviteiten zijn. In dat geval is sprake van een bank.’

25.
Aldus interpreteert DNB artikel 1:1 Wft en de facto ook artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, kennelijk op de wijze, zoals hiervoor, onder punt 24 omschreven, echter zonder daarbij genoegzaam duidelijk te maken hoe dat kredietverstrekking proces van het begin tot het eind verloopt. Eiser doelt op ‘procedé x’. Ook aan de zijde van DNB wist men zich hiermee duidelijk geen raad, waarover hierna meer.
26.
Artikel 1 BGfo Wft (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft) herbergt de volgende definitie: ‘hypothecair krediet: overeenkomst inzake krediet met een consument, bij het aangaan waarvan een recht van hypotheek wordt gevestigd, strekkende tot verhaal bij voorrang van de vordering tot voldoening van de door de consument verschuldigde betaling, dan wel met betrekking waartoe reeds een zodanig recht is gevestigd en waarbij het krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire financieringen van de aanbieder gebruikelijk jaarlijks kostenpercentage’.

Naar de mening van eiser, had na de zinsnede ‘jaarlijks kostenpercentage’, moeten worden opgenomen: ‘over geld dat de bank zelf niet had, maar uit het niets heeft gecreëerd door middel van het aanslaan van een geldbedrag in een digitale gegevensdrager, waartegenover nul en generlei dekking staat’.

27.
In het eerste decennium van deze eeuw, heeft DNB een – nog steeds – op het internet vindbaar (digitaal) boekwerk laten publiceren. Niets mag daaruit worden overgenomen, zonder voorafgaande toestemming van DNB, gelukkig maar; zie http://www.dnb.nl/binaries/Geschiedenisvanhetgeld_tcm46-210321.pdf; tip van eiser: sla digitale pagina 41 daarvan er maar eens op na. Dit ‘boek’, dat wemelt van halve waarheden en/of onjuistheden en/of onvolledigheden, wordt beschreven dat een bank ‘het geld dat zij in bezit heeft, uitleent aan personen die daarom vragen’, het zoveelste schandalige lachertje dat op zijn minst grenst aan (boeren)bedrog.

28.
De Amerikaanse auteur en entrepreneur Mike Maloney stelt – terecht – vast dat ‘ons geld’ – onze digitale en van katoen gemaakte euro’s; fiatgeld; geld uit het niets dat is gebaseerd op vertrouwen – geen geld is, maar eigenlijk een valuta (of rekeneenheid, of koers, of ruilmiddel) omdat ‘ons geld’ – deze digitale en papieren/katoenen euro’s – géén, althans geen noemenswaardige intrinsieke waarde hebben. Maloney: “They (valuta; PW) are not a store of value”; zie www.youtube.com/watch?v=DyV0OfU3-FU.

29.
Voormeld artikel 1:1 Wft, is een letterlijke en figuurlijke, edoch wel ernstig misbruikte kaskraker, althans voor een bank als gedaagde. Dit artikel werkt misbruik op tal van manieren in de hand, bijvoorbeeld op geldcreatie uit het niets gebaseerde rentestipulatie en -manipulatie (over geld uit het niets); zie onder andere de Liborkwestie. Dit staat nog los van de mogelijkheden die dat wetsartikel biedt, dat banken er keer op keer een financiële puinhoop van kunnen en mogen maken, mede op basis van financiële controle achteraf door ECB/DNB – als zij daar trek in heeft tenminste; zie punt 3 dagvaarding –, in plaats van voorafgaand aan, of tijdens het ondoorzichtige en ondemocratische proces van geldschepping. Ook de Liborkwestie staat beslist niet op zichzelf en ziedaar de zoveelste maatschappij ontwrichtende werking van commerciële banken als bepalers van hun winstmarges, onder het mom of de dekmantel van: ‘wij lopen toch ook risico!’ Maar wie is ‘wij’ eigenlijk? Bankfalen (mag, en) is nog steeds een lucratieve business en bonussen/aandeelhouderswinsten staan nog steeds op het programma van dat falen (mag), een gotspe.

30.
In het verlengde daarvan, ligt de stelling van de hiervoor aangehaalde Mike Maloney, die op basis van empirisch-historisch onderzoek, vaststelt dat de waarde van de valuta (bijvoorbeeld de euro; PW) altijd terug gaat naar 0 (nul). Dat de euro, qua koopkracht terug gaat naar nul, is een ‘zekerheid’, zeker als in aanmerking wordt genomen, het onomstotelijk vaststaande feit dat door de centennia en millennia heen, geen enkel fiatgeldsysteem – geen enkele valuta – het er ‘levend’ van af heeft gebracht, in tegenstelling tot met name goud dat altijd als betaalmiddel heeft kunnen dienen; zie – nogmaals – www.youtube.com/watch?v=DyV0OfU3-FU. Eiser denkt dat ‘wij’ nog geen notie hebben, van iets dat maar het begin is van het topje van de ijsberg, tevens eisberg.

31.
In 2011 stelde de Socialistische Partij (SP) de wettelijke omschrijving van het begrip ‘bank’ – terecht – aan de kaak, alhoewel ook deze partij vooralsnog niet lijkt te willen tornen aan het monopolie van geldcreatie door commerciële banken, waaronder gedaagde.

Citaat uit Kamerstuk 32.787 nr. C: ‘De leden van de SP-fractie constateren dat de definitie van „bank” in artikel 1.1 van de Wft welhaast uit de 19e eeuw lijkt te stammen en geven de regering in overweging deze definitie te herzien. Zij zijn van mening dat geld endogeen (van binnenuit, of vanuit zichzelf; PW) door banken gecreëerd wordt overeenkomstig de “Monetary Circuit Theory” (MCT; naast een centrale bank, bijvoorbeeld DNB-ECB, creëren ook commerciële banken, waaronder gedaagde, geld; PW) terwijl de definitie veronderstelt dat banken slechts intermediair zijn en geld door de centrale bank in omloop wordt gebracht.’

32.
Daarmee slaat de SP de spijker op zijn kop, want de definitie van ‘bank’ (in de zin van artikel 1:1 Wft), strookt inderdaad niet met de 20e en 21e eeuwse werkelijkheid. Die werkelijkheid laat zich wel omschrijven als: de gevoerde praktijk van digitale geldcreatie uit het niets, in de vorm van het aanslaan van een €-teken, gevolgd door een getal. Aldus is er nog steeds sprake van een uit de19e eeuw stammende, waarheid versluierende definitie van ‘bank’, welke definitie ook vormt: artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC.

33.
Dit roept bij eiser de vraag op: hoe zag en ziet, volgens gedaagde, de hiervoor, door de Kamerleden van de Socialistische Partij beschreven ’20e en 21e eeuwse werkelijkheid er exact uit? Meer concreet: welk en hoeveel water is er over God’s akkers gevloeid, althans door de Rijn gestroomd, vooraleer die digitale € ,- in existentie kwam en wat heeft gedaagde, binnen dat kader, daarna gedaan. Eiser neemt – uiteraard – geen genoegen met kort door de bocht antwoorden als: ‘geldschepping door banken wordt in de schoolboeken vermeld’, of: ‘dat is nu eenmaal een gangbare of gebruikelijke praktijk’, al was het alleen maar vanwege het feit dat die kennis zelfs binnen gedaagdes gelederen en binnen de gelederen van DNB ontbreekt, zoals eiser proefondervindelijk heeft vastgesteld, nog los van het ontbreken van een uitdrukkelijk wettelijk kader waarop voormelde praktijk is geënt. Ook in de hoedanigheid van cliënt van gedaagde, verlangt eiser van haar een A (begin) tot Z (eind) beschrijving daarvan, gelardeerd met bijbehorende wetsartikelen. Als gedaagde dat niet kan, zal de op het vlak van de feiten lijdelijke rechter, naar eiser aanneemt, het wettelijk kader van dat ‘geldscheppingsproces van A tot Z’ (‘procedé x’), welk proces beslist niet moet worden verward met geldschepping uit het niets als momentopname, ook wel ambtshalve kunnen bepalen; het moment van aanslaan van een bedrag in een computer. Daarbij refereert eiser aan http://www.positivemoney.org/how-money-works/proof-that-banks-create-money/.

34.
Eiser ziet het aldus: in het huidige tijdsgewricht en ter voorkoming van volksverlakkerij, zouden artikel 1:1 Wft en artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, indachtig de realiteit als volgt moeten luiden: ‘het is een bank toegestaan buiten besloten kring de beschikking te verkrijgen over opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, welke opvorderbare gelden per definitie niet worden uitgegeven en het is banken toegestaan, op basis van het in artikel …, uit en te na omschreven ‘procedé x’, uit het niets digitaal geld te creëren en indien nodig, achteraf – láter; nadíen – reserves daarbij te zoeken, waarbij het de banken is toegestaan over dat door hen digitaal uit het niets gecreëerde geld, een rentevergoeding te verlangen.’ Ziedaar nog steeds de paradox van een gedaagde, die als een ‘leeg stenen varken’, althans als een ‘zo goed als leeg stenen varken’, het kennelijke vermogen heeft om geld (valuta) digitaal uit het niets te creëren; voorbeeld: een leeg levend stenen varken, met beweegbare ledematen, slaat aan: 0 (nul) = € 500.000,-, herstel: 0 (nul) = € 500.000,- en bedingt daarover rente (=geld voor geld dat uit het niets is geschapen).

35.
Wat eiser betreft kan en mag dit niet, zeker niet dat laatste: rente verlangen, althans dat mag ook niet op basis van onder andere artikel 1:1 Wft, artikel 1 BGfo Wft alsmede artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, noch kan en mag zulks geschieden op basis van het volgende, kennelijk door DNB gehuldigde criterium: ‘Kredietinstellingen moeten ervoor zorgen dat ze een eigen vermogen hebben (hebben!, niet: (achteraf/daarna) verkrijgen; PW), dat wat hoeveelheid, kwaliteit en verdeling betreft is afgestemd op de risico’s waaraan ze blootgesteld zijn of kunnen worden. Derhalve moeten ze beschikken over strategieën en procedures om de toereikendheid van hun eigen vermogen te beoordelen en dit vermogen op peil te houden.’ (zie punt 55 van Richtlijn 2006/48/EC). Kortom, in deze voor velerlei uitleg vatbare richtlijn wordt gesproken over een situatie van ‘wat is’ – het hebben – en niet over een situatie van ‘wat komt’, of ‘wat zou kunnen komen’. Overigens, als artikel 1.1 Wft werkelijk stelt, dat een bank krediet uitzet voor eigen risico, dan is dat tot op zeer grote hoogte een leugen, althans je reinste onzin over de boeg van het gegeven, dat nu eenmaal is gebleken dat een bank als gedaagde dat (ook) deed en doet – nog steeds! – voor (aandeelhouder)risico van de Staat der Nederlanden (lees vooral ook: Nederlanders/miljoenen belastingplichtigen, waaronder eiser, die haar van de ondergang redden) en dat maakt(e) haar bank áf, althans zij is geen bank in de zin van artikel 1:1 Wft. Aldus werd en wordt ook dit wetsartikel – artikel 1.1 Wft – ook op die basis en ín de basis niet nageleefd door gedaagde. Eiser citeert nogmaals DNB: “Voor ‘eigen rekening’ kredietuitzettingen verrichten, wil zeggen zelf – zelf; PW – het financiële risico lopen van die kredietuitzettingen. Indien iemand voor de kredietuitzettingen een winst- of verliesgerelateerde vergoeding ontvangt, handelt hij ook ‘voor eigen rekening”; zie http://www.toezicht.dnb.nl/2/50-201916.jsp.

36.
Aldus loopt gedaagde helemaal niet zelf het risico van die kredietuitzettingen, te meer omdat a) gedaagde dat krediet digitaal uit het niets schiep – ‘dat was helemaal niet het spaargeld van mijnheer Jansen en mevrouw Van Zon!’ -, en b) eiser datzelfde kredietrisico loopt, waarbij gedaagde de mogelijkheid heeft het door eiser gegeven onderpand – eisers woning – uit te winnen. Daarbij kan gedaagde het risico van een ‘default’ van eiser ook, en zelfs van meet af aan, op andere manieren hebben afgedekt, bijvoorbeeld middels een daaraan gekoppelde credit default swap (cds), of securitisatie van eiser’s hypotheek. Voormelde aspecten plaatsen het vermeende, door gedaagde gelopen risico – bewezen (semi) non-eigen risico, (ook) vanaf het seizoen 2008-2009 – in een ander daglicht. Artikel 1.1 Wft beschrijft de facto een ‘vaag schip’ dat ‘Risico’ heet, waarbij over het hoofd wordt gezien dat, zo is reeds gebleken, alle Nederlanders in dat (slaven)schip zitten. Welbeschouwd is dat een grote, voor velen onder ons verzwegen ‘grote schade en schande’, althans een door velen onder ons onbegrepen ‘grote schade en schande’.

37.
Daarbij mag worden aangetekend, dat de term ‘too big to fail’ met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ten onrechte wordt gekoppeld aan een bank als bijvoorbeeld gedaagde – absoluut geen bank in de zin van artikel 1:1 Wft -, die gretig in dit, op het eerste gezicht diffamerende, maar wel commercieel uiterst lucratieve gat is gesprongen – in wezen is er sprake van diefstal van het Nederlandse publiek en plein public – en daarvan gretig gebruik blijft maken. Een en ander ten gunste van haar belanghebbenden, met name het topmanagement en de aandeelhouders. Daarbij worden ook spaarders afgescheept met een flutrente -, die door de mangel van inflatie en belastingbox 3, meer dan volledig geminimaliseerd wordt. Dit alles terwijl veeleer wij – Nederland als geheel, alle Nederlanders – ‘too big to fail’ zijn, maar de portee daarvan vooralsnog niet begrijpen, gedresseerde en geconditioneerde tijgers, vastgeklonken aan een volledig afgebrand lucifershoutje als gedaagde, dat we zijn! Kijk toch eens naar IJsland en haar aanpak; zie hiervoor, onder punt 5.

38.
Het zou een goede zaak en de hoogste tijd zijn, een bank als gedaagde haar ‘terechte plaats’ te wijzen, onder andere in de vorm van ontneming van haar verdienmodel, zoals hiervoor is beschreven. In het kader van de transitie naar een stabieler en een meer volwassen systeem, op basis van enig goed fatsoen, hoopt eiser dat deze dagvaarding een zinvolle bijdrage kan leveren aan een gecontroleerde implosie van het mede door hem verfoeide (huidige) financiële systeem; ctrl-alt-del! Gedaagde moet haar eigenlijke rol er- en herkennen, namelijk die van dienaar van het volk, in plaats van vorstelijk bedienaar van (een deel van) zichzelf, mede in het licht van een (verkeerd) voorbeeld als: waar haal je het als Amerikaanse centrale bank $ 160.000.000.000 vandaan? Dat doe je op dezelfde manier, volgens ‘procedé x’, zoals een non-onderneming als gedaagde dat doet, die voor dat soort cheap tricks een forse rente – haar winst – verlangt. Zeker in het huidige tijdsgewricht, is niet dat erg, neen, dat is ontluisterend en wel in meer dan een opzicht en de Britse econome Ann Pettifor, weet daar wel raad mee, of beter geformuleerd, tegen…; http://tegenlicht.vpro.nl/afleveringen/2009-2010/Crisis-als-kans/2010-buigen-of-barsten.html; citaat van de makers van VPRO Tegenlicht: ‘De Britse econome Pettifor is een prominente ‘new economist’, oftewel representant van de beweging die streeft naar ‘economics in which people and planet matter’. Ze werd vooral bekend met haar werk over staatsschulden en schuldkwijtschelding, en door haar analyses van het mondiale financiële systeem. Binnen de ‘new economics’ beweging behoren ook de ‘green new deal’ en de internationale economische ongelijkheid tussen postindustriële landen en ontwikkelingslanden tot haar studieterrein. Al in 2003 deed ze de voorspelling dat de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk afstevenden op een schuldencrisis. Pettifor is mede-oprichter van de Jubilee 2000 ‘Drop the Debt’ – campagne en zit in die hoedanigheid aan tafel met de Bono’s, Bob Geldofs, Youssou N’Dours, Thom Yorkes en Muhammed Ali’s van deze wereld. Ze publiceerde o.a. ‘The Real World Economic Outlook – the legacy of globalization, debt and deflation’ (2003) en ‘The Coming First World Debt Crisis’ (2006). Ann Pettifor, die geboren werd in Zuid-Afrika, woont en werkt in Londen.’ Het spijt eiser dat zij niet zijn premier is.

39.
Terug naar eisers situatie. De hiervoor gememoreerde Richtlijn 2006/48/EC komt eiser voor als een ‘schip’ dat welhaast schreeuwt om een ongedisciplineerde piratenbemanning. De SP leek deze niet geringe ‘bat out of hell’ enigszins in het vangnet te hebben. Eiser is er zich terdege van bewust dat het ‘project Europa’, in de vorm van onder andere artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, mogelijk ooit de goede bedoeling was van eerlijke, oprechte en geëngageerde politici; toenadering, overleg, samenwerking, stabiliteit, alhoewel eerlijk gezegd gelooft eiser daar geen barst meer van. Mogelijk hadden zij – ‘de politici’ – er ook geen verstand van, of onvoldoende zicht op financiële belangen en zaken – de bekende en veelbesproken ‘weeffouten’ -, althans zij waren niet alert genoeg, waarna anderen – bank- en andere zakenlieden -, mede onder pseudo-toezicht van de Bank for International Settlements (BIS), met een nog grotere financiële bal aan de haal zijn gegaan, indachtig onder meer artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC en de boel loopt tot op de dag van vandaag gigantisch uit de klauwen, in een situatie waarin er vooral veel wordt gepraat, maar weinig tot niets wordt gedaan, ook vandaar deze dagvaarding.

40.
Woodrow Wilson, president van de Verenigde Staten van maart 1913 tot maart 1921, zal zich nog wel eens in zijn graf omdraaien, indachtig de mede door hem goedgekeurde Federal Reserve Act, een wet die, net als artikel 1:1 Wft en artikel 4, onderdeel 1 van Richtlijn 2006/48/EC, banken in staat stelt voort te gaan op de door hen ingeslagen weg, waardoor het hen gegeven is landen en hun bevolkingen in meerdere opzichten uit te kleden. In zijn memoires schreef Woodrow Wilson het volgende over de Federal Reserve Act: “I am a most unhappy man. I have unwittingly ruined my country. A great industrial nation is controlled by its system of credit. Our system of credit is concentrated. The growth of the nation, therefore, and all our activities are in the hands of a few men. We have come to be one of the worst ruled, one of the most completely controlled and dominated Governments in the civilized world no longer a Government by free opinion, no longer a Government by conviction and the vote of the majority, but a Government by the opinion and duress of a small group of dominant men.”

41.
Hoe je het ook wendt of keert, een bank als gedaagde – een door het volk der Nederlanden geredde private onderneming –, beheerst volstrekt ten onrechte het geldscheppingsproces, met bijbehorende incentives te haren bate, op basis van een verre van democratisch systeem, met een uitermate zwakke controle achteraf, als men daar zin in heeft tenminste; zie punt 3 dagvaarding, waarbij een land en het leeuwendeel van haar bevolking als gastheer en speelbal worden gebruikt. Artikel 1:1 Wft kan met recht worden betiteld als dat wat diametraal staat tegenover door eiser gehuldigde waarden als non-discriminatie, democratie, vrijheid, eerlijke concurrentie en wat dies meer zij. Dit is eigenlijk te gênant voor woorden, of zoals Herman Kuiphof tijdens de WK voetbalfinale op 07-07-1974 opmerkte: “Zijn we er toch ingetuind!”

FEITEN

42.
Op basis van een 21-10-2010 tussen eiser en gedaagde gesloten overeenkomst (‘overeenkomst van geldlening’), heeft gedaagde, op basis van een dienst – gedaagdes dienst – aan eiser verstrekt een product, in de vorm van een bedrag van € 312.500,- (productie 2). Deze lening – geld uit het niets – is bezwaard met een (gedaagde toekomend) recht van hypotheek jegens eiser.

43.
Binnen voormeld kader is vanwege gedaagde met geen woord gerept, over onder andere de wijze waarop zij dat bedrag van € 312.500,- in existentie heeft gebracht, of zou brengen, noch heeft zij kond gedaan van een bepaalde, nader omschreven procedure die in verband daarmee is of zal worden doorlopen; ‘procedé x’; Angelsaksisch model?!; Common law?!; jurisprudentierecht?!; ‘the king, alias a commercial bank, can do no wrong?! Misschien een geval van continue Engelse financiële repressie geregisseerd vanuit the City of London?! Wie regeert wie en wat is er toch aan de hand in en met Nederland?

44.
In dat kader roepen de bij voormelde overeenkomst van geldlening behorende ‘Algemene Voorwaarden ING Hypotheken’, vastgesteld bij akte van 04-03-2010, meer vragen en dan antwoorden op. Ook in die algemene voorwaarden staat onder andere niets over ‘procedé x’, of over het resultaat daarvan, namelijk geld – een product -, dat gedaagde uit het niets heeft gecreëerd en dat gedaagde, in ruil voor rente en aflossing – lees ook: in ruil voor reële arbeid en reëel kapitaal – aan eiser heeft ‘verkocht’.

 

45.
Hoe dan ook heeft gedaagde eiser op zijn minst impliciet doen voorkomen, dat voormeld bedrag haar verdienste was, althans zij heeft jegens eiser, in alle toonaarden gezwegen, over de wel heel eenvoudige wijze waarop zij valuta – haar product – in existentie bracht, voor welke kinderlijk eenvoudige truc, zij van eiser een rentevergoeding verlangt. Deze rentevergoeding, in verband met de door eiser geleende € 312.500,-, kan laatstgenoemd bedrag met ‘twee vingers in de neus’ overstijgen, althans deze rentevergoeding kan op zijn minst als ongerechtvaardigd hoog worden gekwalificeerd.

46.
Komt daar nog bij dat eiser aan gedaagde dient te betalen, een jaarrente op basis van de volgende, door haar gehanteerde formule: 365(noemer)/360(deler) maakt 1,01388888, welke factor wordt vermenigvuldigd met het voor eiser geldende rentepercentage over de openstaande hoofdsom (schuld). Ook volgens Bartjens kent een jaar 365 of – soms – 366 dagen, meer smaken zijn er niet. Voormeld feit – gedaagdes ‘misrekenmethode’ -, levert eiser schade op, in de vorm van te veel door hem betaalde hypotheekrente. Zulks klemt te meer omdat gedaagde geld creëert uit het niets, een rentevergoeding verlangt over dat geld uit het niets en als ultieme klap op de vuurpijl, maakt zij daarbij, ook jegens eiser, slinks gebruik van een soort van ‘sneaky low pressure 1,01388888 (bar) turbolader’. Ter nadere onderbouwing van eisers hiervoor ingenomen standpunt met betrekking tot voormelde renteformule moge dienen, het gegeven dat bij de berekening van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, eveneens geen gebruik wordt gemaakt van een basis van 365/360, daar bij de betekening daarvan de deler gelijk is aan het aantal dagen dat een jaar telt. In dit kader verwijst eiser naar een in dit kader interessant artikel uit de Volkskrant; http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/984066/2010/06/07/Oplichting-minder-vervelend-maken-Heeft-een-jaar-nu-360-of-365-dagen.dhtml.

47.
Eisers ultieme struikelblok: ten tijde van het sluiten van de hiervoor aangehaalde overeenkomst, ging eiser er zondermeer van uit dat voormeld bedrag bij gedaagde aanwezig eigen vermogen en/of – zelfs – vreemd vermogen was, althans dat zulks de dekking vormde van voormeld bedrag. Deze gedachte werd op dat moment mede ingegeven door het feit dat gedaagde van eiser een substantiële rentevergoeding over een openstaand, door eiser van gedaagde betrokken geldbedrag verlangde, namelijk € 312.500,-.

48.
Met de wijsheid van nu stelt eiser vast, dat het volstrekt onverteerbaar is, dat de verstrekking van een dergelijk bedrag, onder andere in ruil voor een de hiervoor omschreven forse rentevergoeding op basis van een leverage ratio van rond de 3, valt te betitelen als buitenissig. Alsof eiser met € 30,- in zijn holle stenen varken, € 1.000,- kan uitlenen en dat ook nog eens tegen een rentevergoeding over laatstgenoemd bedrag. Eisers kat komt als laatste uit de gordijnen, in de wetenschap dat het zelfs nog veel erger is dan dat, waarover hierna een nadere uiteenzetting, mede dankzij ‘Henri Ford juncto Alan R. Holmes juncto Paul Sheard juncto – nota bene – een medewerker van ING Communications’; zie hieronder onder punt 65. Banken kunnen rente (=geld) trekken, op basis van andermans energie, zonder zelf een (geleende) rooie rotcent op zak te hebben. Met andere woorden: ook al beschikt gedaagde zelf(s) niet over door haar geleend geld, dan kan zij toch geld uitlenen en daarvoor een rentevergoeding verlangen, naast aflossing, met vriendelijke groet, artikel 1:1 Wft.

49.
Nader geconcretiseerd: op grond van voortgeschreden inzicht, is eiser tot de conclusie gekomen dat gedaagde voormeld bedrag – deze € 312.500,- (product) –, heeft gecreëerd (op basis van ‘procedé x’) door middel van het aanslaan van dat bedrag in een digitale gegevensdrager (computer). Eiser slaat ook aan, maar dan wel op de door hem ervaren discrepantie tussen deze werkmethode en artikel 1:1 Wft en dan met name de daarin opgenomen definitie van een bank, welke definitie luidt: ‘degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen’. Het woord ‘bedrijf’ mag wat eiser betreft, worden verwezen naar de schroothoop, als zijnde bewezen klinkklare onzin, bewezen en zeker vanaf het seizoen 2008/2009.

50.
Dat gedaagde voormeld bedrag (product), op de hiervoor uiteen gezette wijze heeft gecreëerd, is misschien nog tot daar aan toe, maar eiser kan en mag zich niet verenigen met het feit dat gedaagde van hem, in verband daarmee, heeft bedongen een recht op rente (hypotheekrente), welk recht om diverse feitelijke en juridische redenen ook volstrekt niet in een redelijke en billijke verhouding staat tot de waarde van de inspanning die gedaagde zich daarvoor heeft moeten getroosten, namelijk, op basis van ‘procedé x’ € 312.500,- aanslaan in een digitale gegevensdrager (computer) en het daarnaast verrichten van een beperkt aantal (andere) administratieve handelingen, nog los van onder andere de gebleken afwenteling van gedaagdes nepondernemersrisico in de vorm van onder andere door eiser op te hoesten extra belasting; balletje balletje…

51.
Eiser ziet geen enkele rechtvaardiging voor het feit dat hij meer dan 3 jaar (38 maanden) na contractsluiting, naast aflossing, al meer dan € 30.000,-, althans tienduizenden euro’s aan rente aan gedaagde heeft moeten afdragen, in ruil voor zoiets simpels als het aanslaan van € 312.500,- in een digitale gegevensdrager en een beperkt aantal administratieve handelingen daaromheen. Die
€ 312.500,- overstijgende rentevergoeding, althans die tonnen of tienduizenden euro’s aan rente, kan niet met goed fatsoen worden gerechtvaardigd.

52.
Geruime tijd na 21-10-2010, is het eiser duidelijk geworden, dat het door gedaagde bedongen recht op rente, niet zozeer de verdienste is van gedaagde. Integendeel, dat is in hoofdzaak te danken aan een daarvoor ten onrechte onbeloonde(!) eiser, zijn onderpand – de met een recht van hypotheek belaste en door hem onderhouden woning – alsmede zijn arbeids- en verdiencapaciteit. Het was uitdrukkelijk deze combinatie – de verdienste van eiser –, die gedaagde de gelegenheid bood
€ 312.500,- aan te slaan in een digitale gegevensdrager. Naar eiser toe heeft gedaagde daarover in alle toonaarden gezwegen, althans ook haar personeel begreep er niets van; zie hierna. Zeker nu neemt eiser dat gedaagde uiterst kwalijk, mede indachtig hetgeen van haar werd verlangd, namelijk nakoming van haar plicht tot vermelding van de wezenlijke kenmerken van de door haar aangeboden dienst – geldcreatie uit het niets, op basis van ‘procedé x’ – en het door haar aangeboden product, namelijk digitale, uit het niets gecreëerde valuta, althans een vordering op naam, althans een goed, een en ander op grond van onder andere artikel 4:20 Wft, waarover meer onder punt 104 van deze dagvaarding.

53.
Aldus had gedaagde voormeld bedrag ad € 312.500,-, niet als eigen vermogen of vreemd vermogen (bijvoorbeeld spaargeld van anderen) op de plank liggen, voordat eiser zich bij haar meldde voor een geldlening, zoals hiervoor uiteen is gezet. In het hypothetische geval dat eiser ook met deze stelling een bok schiet, vanwege de incorrectheid daarvan – quod, uitdrukkelijk non! -, ziet eiser een reactie van de zijde van gedaagde, op deze, volgens eiser wel correcte stelling, gaarne tegemoet. Gedaagde heeft eiser nimmer daarvan – lees: het niet beschikken over € 312.500,- – op de hoogte gebracht, noch heeft gedaagde kond gedaan van het feit dat eiser, zijn arbeidskracht en kapitaal, een wezenlijk of constitutief vereiste was voor gedaagde, om de hiervoor bedoelde € 312.500,- uit het niets op haar balans te kunnen toveren. Door zich in stilzwijgen te hullen, deed gedaagde voorkomen, alsof zij dat geld al in haar portemonnee had, maar neen, zij creëerde valuta eerst op instigatie van eiser (volgens ‘procedé x’), met daarop gevolgde rentestipulatie, naast aflossingsplicht. Nogmaals en voor alle duidelijkheid: eiser richt zijn belangrijkste en giftigste pijl op het vermeende renterecht van gedaagde, op basis van door haar uit het niets gecreëerde valuta. Dit op basis van eisers arbeidskracht en kapitaal, in ruil voor een in een computer aangeslagen €-teken en een getal (valuta).

54.
Eiser heeft met voormeld bedrag een woning gekocht. Bovendien heeft eiser daarvan het genot, akkoord en correct, maar dat was vooral zijn verdienste. Gedaagde bracht € 312.500,- in existentie, bij de gratie van het bestaan van eiser, die zich in ruil daarvoor ‘beloond’ ziet met de plicht aan gedaagde, over een reeks van jaren honderdduizenden euro’s aan rente te betalen, naast aflossing. Met aflossing ‘an sich’, heeft eiser geen probleem, hoewel de hoogte daarvan wel degelijk samenhangt met artificiële bubbelvorming, op basis van gedaagdes, zeker vanaf de eerste helft van de jaren negentig, mede onder auspiciën van en door toedoen van op (hun) winst beluste belanghebbenden bij of rondom gedaagde – hun bonus moest van hen omhoog, middels ‘the Royal – not noble! – art of money creation’; een doortrapt verdienmodel van een bank als gedaagde, mede onder auspiciën van zogenaamde socialistische pleitbezorgers van het type drs. W.H. Kok, zo stelt eiser vast in commissie; http://www.elsevier.nl/Algemeen/blogs/2007/5/Het-is-weer-1-mei-dag-van-de-salonsocialisten-ELSEVIER121786W/. Dat laatste is niet zozeer eisers kinnesinne, als wel een spijkerhard gegeven. Terug naar de kern, eisers probleem zit hem – nogmaals – thans met name in de op hem rustende renteverplichting jegens gedaagde, welke renteverplichting ook minimaal als onevenredig zwaar kan worden gekwalificeerd. Zulks klemt te meer omdat gedaagde, in geval van onverhoopte financiële malheur aan de zijde van eiser, diens woning kan uitwinnen middels gedwongen (executoriale) verkoop daarvan. Daarbij blijft eiser jegens gedaagde aansprakelijk, in het geval er sprake is van een restschuld, zonder reddende noodparachute van de Staat der Nederlanden en de belastingbetaler.

55.
Een mede door eiser geredde bank als ING (gedaagde), is het kennelijk vooralsnog gegeven om ‘luchtgeld’, of geld uit het niets te mogen creëren. Dat verlangen van gedaagde, kan wellicht vanuit een puur en hard zakelijk oogpunt beschouwd begrijpelijk zijn – winst is winst! -, doch dat verlangen valt, om diverse redenen, niet te rechtvaardigen. Immers, zowel eiser, als andere natuurlijke personen en (andere) bedrijven, moeten wel prestaties van wezenlijke waarde leveren, ter verkrijging van hun geld/valuta (euro’s). Dit in tegenstelling tot gedaagde, die zich kan bedienen van een computer, waarin zij, als dienst, simpelweg een €-teken, met daarachter cijfers kan aanslaan, op basis van ‘procedé x’, waarna zij dat ‘bedrag uit het niets’ (product) als echt geld kan transfereren naar een bankrekening. De houder van die bankrekening wordt dan geacht dat geld, tegen een substantiële rentevergoeding – over geld uit het niets nota bene – terug te betalen aan gedaagde. Dit alles roept uit diverse hoeken van de samenleving, zowel vragen als reacties op; zie onder andere http://www.soulwoman.org/2011/11/21/tijd-voor-revolutie/.

56.
Normaliter ontvangt eiser een (uur)honorarium, in ruil voor zijn inspanningen en dat is niet meer dan zijn verdiende loon. Waarom zou dat, althans iets soortgelijks ook niet voor gedaagde moeten gelden, indachtig de zeer geringe inspanning die gedaagde zich heeft moeten getroosten voor het in existentie brengen van € 312.500,-.

 

57.
Wikipedia beschrijft het begrip ‘rente’ als volgt: ‘Rente, interest of intrest, is de vergoeding die iemand ontvangt voor het uitlenen van zijn of haar geld en die betaald wordt door degene die het geld leent.’; http://nl.wikipedia.org/wiki/Rente. Aldus draait het om ‘zijn geld’ of ‘haar geld’, dus waarom zou een bank als gedaagde dan recht kunnen doen gelden op rente over geld dat niet van haar was, naast een eiser logischer voorkomend recht op aflossing? In dat licht dankt eiser voormelde SP’ers, die tegen het licht hielden, iets ‘authentiek onrechtvaardigs’ als artikel 1:1 Wft, de facto ook het beste, mede door ‘eisers Europa’ beschermde bankaandeel ooit.

58.
De ‘wereld’ is beter af zonder gedaagde in haar huidige gedaante. Alsof eiser niet de ‘gave’ of het ‘talent’ heeft om een geldbedrag in een digitale gegevensdrager aan te slaan (op basis van ‘procedé x’) en dat te ‘verkopen’ tegen aflossing én rente. Eiser wil niet roomser zijn dan de paus, maar deze toestand zou eenieder te denken moeten geven. Leviticus 25:37: ‘Onthoud dat goed: geen rente! Geef hem wat hij nodig heeft uit uw eigen beurs; probeer geen voordeel te behalen!’ Deze stelling is in zoverre achterhaald, dat deze zou moeten luiden: ‘Onthoud dat goed: geen rente! Geef hem wat hij nodig heeft uit uw eigen beurs; probeer ook geen rentevoordeel te behalen door digitale geldcreatie uit het niets, op basis van ‘procedé x’, laat helemaal staan door digitale geldcreatie uit het niets zonder dekking!’ Citaat uit http://nl.wikipedia.org/wiki/Rente: ‘In de Middeleeuwen was het christenen verboden rente te heffen, wat leidde tot de positie van joden als bankiers en geldverschaffers. Ook joden zelf was het in principe niet toegestaan rente te heffen, maar dit renteverbod gold niet wanneer zaken werd gedaan met niet-joden. Filosofen als Plato en Thomas van Aquino hebben zich eveneens tegen rente uitgesproken, alsmede de economische ‘goeroe’ achter de NSDAP, Gottfried Feder.’ Naar de bescheiden mening van eiser, lijken velen deze ‘steen der wijzen’ overboord te hebben gegooid, althans te zijn vergeten, of niet te kennen. Eiser noemt dat doodzonde en wel een dusdanige doodzonde, dat zelfs nazi’s die niet wilden begaan. Zij, inclusief Adolf, wisten inderdaad wel beter…

59.
Om haar moverende redenen, heeft gedaagde eiser schriftelijk gewezen ‘op zijn contractuele verplichting om rente te betalen’. Desalniettemin dient gedaagde zich zo langzamerhand wel te realiseren dat zij vóór contractsluiting, jegens eiser in het geheel geen open kaart heeft gespeeld. Eiser doelt dan ook op wijze waarop gedaagde het bedrag ad € 312.500,- tot digitale wasdom liet komen (procedé x’), of anders gesteld, het ontbreken van een eiser kenbare beschrijving daarvan. Gedaagde (ING Bank N.V.), althans haar personeel, heeft deze wetenschap nimmer gedeeld met eiser, die ten tijde van de contractsluiting ook beslist niet op de hoogte was van de wijze waarop zij aan haar geld kwam, namelijk middels het aanslaan van € 312.500,- in een digitale gegevensdrager. In dat kader refereert eiser aan de volgende uitspraak van de gewezen grootindustrieel Henry Ford: ‘Als de massa snapt hoe het geldsysteem werkt, heb je morgen een revolutie.’ Mede indachtig deze uitlating van Ford, had gedaagde eiser van haar in wezen wetteloze praktijk van digitale geldcreatie uit het niets, alsmede het door haar bewandelde traject daarvóór – een nog wettelozer praktijk -, op de hoogte moeten brengen, alhoewel ook haar personeel van toeten noch blazen wist. Bovendien had gedaagde van tevoren, op zijn minst aan eiser moeten melden dat de afspraak ook zou zijn: ‘mijnheer Van de Waarsenburg, het volgende moeten wij u beslist mededelen, of u nu haast heeft, of niet: wij transfereren naar uw bankrekening, geld dat wij niet hebben, althans niet hadden. Het is digitaal geld – valuta -, zonder onderliggende dekking, dat wij, volgens ‘procedé x’ – volgt uitleg van ‘procedé x’ – digitaal uit het niets creëren door gebruikmaking van een computer, een scherm en een toetsenbord, over welk digitaal uit het niets gecreëerd geld – valuta-, wij van u een rentevergoeding maal 365/360 verlangen, naast uw aflossingsverplichting uiteraard, wat u, als jurist, misschien vreemd in de oren klinkt, snapt u wel, want wij snappen het niet’, althans woorden van die strekking.

60.
Eiser begrijpt het nu ‘wel iets beter denkt hij’, althans ook in zijn geval was er sprake van een ‘dienst’, in de vorm van een gecreëerd bedrag op eisers bankrekening (op basis van ‘procedé x’), welk bedrag – uiteindelijk – (in de goederenrechtelijke sfeer), lijkt te kunnen gekwalificeerd als een ‘goed’, zijnde een vordering op naam; vordering van eiser op gedaagde (in ruil voor rente en aflossing en, not to forget, diverse, door gedaagde aan eiser in rekening gebrachte kostenopslagen van een vaag allooi, zeker wanneer het gehele, door gedaagde achtergehouden en kennelijk ook door haar (eigen) personeel onbegrepen plaatje, in ogenschouw wordt genomen.

WIJ SNAPPEN HET NIET!

61.
Eiser wilde graag weten hoe het met de kennis van voormelde materie, van hen dichterbij het vuur is gesteld. Daarbij kwam eiser tot min of meer verrassende ontdekkingen. Deze ontdekkingen kwalificeert eiser, zeker met zijn kennis van nu, als bizar, omdat zelfs (gekwalificeerd) bankpersoneel kennelijk niet weet, althans niet, of niet scherp genoeg voor ogen heeft, hoe het geld-/valuta- en rentesysteem in elkaar steekt. Daarmee wil eiser ook benadrukken, dat het hem niet euvel kan worden geduid, dat het hem ook in 2010 ontbrak aan kennis van de door gedaagde gevolgde werkwijze als hypotheeknemer en schepper van geld uit het niets, volgens een (ook) eiser onbekende procedure (‘procedé x’), zonder onderliggende dekking, over welk geld dat zij (gedaagde) niet had, van eiser wel een substantiële rentevergoeding verlangt.

62.
Op 19-08-2013 heeft de heer V., werkzaam als adviseur hypotheken, in dienst van gedaagde, aan eiser telefonisch het volgende medegedeeld (transcript van een deel van het gevoerde telefoongesprek): (V.) ‘Op het moment dat een hypotheekaanvraag gedaan wordt…, laten we zeggen…, die drie ton is een mooi voorbeeld, eh… ING leent als bank geld uit op basis van spaargelden die vaststaan, want zo werkt het…, zo heeft het altijd gewerkt bij banken, kleine banken, grote banken. Banken hebben tuurlijk bepaalde kapitaal… Dat zit deels ook in spaargelden… Er wordt ook geld uitgeleend weer. Eh, in het verleden is het zo geweest dat banken, eh, nog wel eens, eh, een hypotheek gingen verstrekken, en, eh terwijl dat geld, daar, daar, laten we het zo zeggen, daar even niet in spaargelden tegenover stond. Wat banken doen dus dan, dan gaan banken bij elkaar onderling lenen. Recent, laten we zeggen, de afgelopen jaar…, heeft de minister daar ook maatregelen tegen getroffen, da’s wereldwijd zo geweest, is gezegd van nou, in Nederland is het zo dat banken niet meer mogen uitlenen dan ze ook hebben. Dat is eigenlijk, om dat leenverkeer tussen banken tegen te gaan. In het verleden gebeurde dat wel, tegenwoordig gebeurt dit niet meer.’ Tijdens dit telefoongesprek werd namens gedaagde met geen woord gerept over de wel degelijk door haar gebezigde praktijk van geldcreatie uit het niets. Tijdens voormeld telefoongesprek heeft eiser tegen de heer V. gezegd: ‘Er is niet achteraf een funding gezocht?’, waarop V. heeft geantwoord: ‘zo ver reikt mijn kennis niet’. Wat daar verder van zij, op 21-10-2010 – datum contractsluiting – en ver daar na, wist ook eiser van toeten noch blazen wat betreft het onderwerp banken en de door haar gebezigde praktijk van digitale geldcreatie (uit het niets), zonder onderliggende dekking, met een daaraan gekoppelde stipulatie van het recht op rente over digitaal geld uit het niets. V. van de ING kwam er kennelijk voor uit, want als eiser hem moet geloven ‘heeft men in het verleden wel eens hypothecaire leningen verstrekt zonder dat daarvoor de spaargelden aanwezig waren, maar dat gebeurt niet meer.’ Dank je de koekoek, het is vanzelfsprekend dat banken dat ‘niet meer doen’ als ze volledig zijn vastgelopen door hun ‘geldschepping uit het niets praktijk’. De enige reden waarom banken – op hún winst gerichte entiteiten – ermee zullen stoppen, is als ze onraad percipiëren in de huidige markt. Daarom is de kredietverlening aan met name particulieren en het midden- en kleinbedrijf ingezakt, niet als gevolg van sturend optreden van de centrale banken, want dat doen deze instellingen niet. Centrale banken zijn veel meer volgend dan sturend. In het huidige tijdsgewricht zijn commerciële banken afhankelijker geworden van steun van de centrale banken als gevolg van hun bewezen kamikaze politiek. Daardoor lijkt het alsof centrale banken meer invloed hebben op de commerciële banken, maar dat is slechts ‘for the time being’, want zodra de marktverhoudingen zich weer ten goede zouden keren (…) dan wordt de bekende praktijk weer volledig opgepakt. Immers banken kun je lastig betichten van adequaat zelfreinigend vermogen.

63.
Op 26-08-2013 heeft eiser gesproken met Master of Science (MSc) P., medewerker Informatiedesk bij De Nederlandsche Bank (DNB). Hierna volgt een deel van het transcript, van het tussen eiser en P. gevoerde telefoongesprek: (P.) ‘geldcreatie is niet iets wat, wat door commerciële banken…, dat is geen activiteit wat door commerciële banken wordt uitgevoerd (…) Nee, dat is dus uiteraard niet de bedoeling dat een bank zo even twee ton uit het niks, eh…, op zijn of haar balans zet (‘bookkeeping entry’; PW). Kijk, zo, zo zit het systeem uiteraard niet elkaar.’ Op eisers vraag: ‘Ik kan er gewoon vanuit gaan dat ING Bank niet eerst geld creëert en pas later op zoek gaat naar een funding’, heeft P. geantwoord: ‘nee, nee, zo, zo zit het systeem niet in elkaar. Dat wordt zo niet gedaan’. Eiser bedankt P. hartelijk voor zijn welwillende uitleg, die naar de mening van eiser evenwel niet strookt met de wijze waarop gedaagde haar bedrijf uitoefent, namelijk het creëren van geld uit het niets, op basis van ‘procedé x’, zonder onderliggende dekking. Een citaat uit het hiervoor vermelde vonnis van de rechtbank (vredegerecht) Minnesota onderschrijft de stelling van eiser: ‘Plaintiff (the ‘bank) admitted that it, in combination with the Federal Reserve Bank of Minneapolis, which are for all practical purposes, because of their interlocking activity and practices [are one entity]…did create the entire $14,000 in money or credit upon its own books by bookkeeping entry…The money and credit first came into existence when they created it…a lawful consideration must exist and be tendered to support the note.’ (productie 1).

64.
Op 12-11-2013 heeft eiser nogmaals telefonisch gesproken met voormelde MSc P., van De Nederlandsche Bank. Op de stelling van eiser dat, volgens hem, in de Wet financieel toezicht (Wft) is gedefinieerd wat een bank is en hoe een bank werkt, reageerde P. als een draaiend, althans half draaiend blad aan de boom: (P.) ‘Volgens mij staat dat inderdaad in de Wft ook vermeld’. Ook gaf P. eiser te kennen dat hij niet weet of banken geld creëren uit het niets. P.: ‘Maar goed, kijk, wat ik aangeef vanuit logisch redeneren, hè, zeg ik nu dat het niet mogelijk zou moeten kunnen zijn dat een bank zomaar vanuit het niks geld kan creëren door een euroteken in te tikken en, en daar wat, wat cijfers achter plaatsen, maar uitsluitsel geef ik daar niet over.’ Op de vraag van eiser: ‘Maar goed, u weet het ook niet zeker, daar komt het op neer’, gaf P als antwoord: ‘Inderdaad, daar komt het op neer’. P. kon, of wilde toen ook geen uitspraken (meer) doen met betrekking tot de onderbouwd door eiser beweerde, door ING gepraktiseerde geldcreatie uit het niets. P.: ‘Ik kan daar geen antwoord op geven’. P. adviseerde eiser ‘wat dat betreft een e-mailbericht te sturen dat aangaande, zodat daarover inhoudelijke informatie kan worden gegeven’. Volgens P. zou hij dat moeten uitzoeken om daar een sluitend antwoord op te kunnen geven. P.: ‘Op onze website zelf kunt u wat informatie vinden met betrekking tot de definitie van banken’. Dat laatste is juist; zie wederom http://www.toezicht.dnb.nl/2/50-201916.jsp, met daarbij de aantekening dat digitale geldcreatie uit het niets, zich ook niet verdraagt met de op die webpagina vermelde definitie van een bank. Let op, ook op de website van DNB is er sprake van een groot ‘zwart gat’ als het aankomt op een duidelijke beschrijving van het proces bij een bank als gedaagde, welk proces leidt tot het aanslaan van een geldbedrag in een digitale gegevensdrager, laat staan dat DNB op haar website komt een wettelijke encadrering daarvan en ja, er zijn Bazel Akkoorden en er zijn CRD’s, maar die zien niet op een vermeend wettelijk gesanctioneerd proces van geldschepping van A tot Z, alias ‘procedé x’.
65.
Onlangs deed de Stichting Ons Geld (zie: https://www.facebook.com/stichting.onsgeld, eiser toekomen, de volgende recente reactie van medewerker X – eiser kent zijn voor- en achternaam -, van ING Group/Corporate Communications.

(reactie X, van ING Group / Corporate Communications)

‘Geachte heren,

Met excuses voor de vertraging hieronder onze reactie op jullie vragen:
1. Is het voor de ING noodzakelijk om te wachten op spaargeld van spaarders om dit vervolgens uit te kunnen lenen aan klanten?
Nee, dit hoeft niet. Hoewel spaargeld op macroniveau een belangrijke bron is van zogeheten funding voor het uitzetten van kredieten (zoals bijvoorbeeld hypotheken of bedrijfsfinancieringen) is het niet zo dat we voor iedere euro spaargeld apart gaan bekijken waar we deze zouden kunnen uitlenen; of andersom, dat we pas een nieuwe lening uitschrijven als er een nieuw deposito binnenkomt. Wet- en regelgeving is hier leidend, bijvoorbeeld de gestelde regels rondom de minimale kapitaalratio’s van banken. De dagelijkse fluctuaties van de bezittingen en verplichtingen van de bank worden in goede banen geleid door de afdeling Treasury.

2. Creëert de ING nieuw geld wanneer ze leningen verstrekt aan klanten.
Ja. Wanneer banken een lening verstrekken aan klanten dan wordt er nieuw geld gecreëerd. Op de bankbalans verschijnt op de bezittingenkant een claim van de bank op de klant, dit is de lening zelf. Aan de verplichtingenkant van de bankbalans verschijnt een deposito, dit is de corresponderende claim van de klant op de bank. Het deposito is geld, en de creatie van het deposito is dus geldcreatie. Wanneer de lening wordt terugbetaald verdwijnt het deposito, en daarmee het geld weer uit het systeem. Vanzelfsprekend gebeurt dit altijd binnen de gestelde kaders van de wet- en regelgeving. Dit is overigens niets bijzonders: ongeveer 90% van de totale geldhoeveelheid in de economie bestaat uit deposito’s en andere verplichtingen van banken.

3. Kunnen burgers bij de ING Bank in girale vorm door de DNB/ECB gecreëerd geld aanhouden?
Nee. Het moderne monetaire stelsel is hier niet op ingericht. De centrale bank geeft twee verschillende soorten geld uit: 1) chartaal geld: munten en bankbiljetten. Deze kunnen door iedereen gebruikt worden. 2) Daarnaast kunnen banken ook deposito’s aanhouden bij de centrale bank. Maar deze deposito’s tellen niet mee als maatschappelijk geld, omdat er alleen interbancair mee wordt afgerekend (het wordt daarom ook wel “centrale-bankgeld” genoemd). Burgers kunnen er dus niets mee. Burgers kunnen ook geen rekening aanhouden bij de centrale bank. En in het verlengde daarvan kunnen burgers ook geen rekening aanhouden bij ING met “door DNB gecreëerd geld”. Dat is ook niet nodig: bancaire deposito’s zijn wettelijk geaccepteerde vormen van geld, en zijn te allen tijde in chartaal geld inwisselbaar.

Hopelijk kunnen jullie met bovenstaande antwoorden uit de voeten, mochten jullie vragen en/of opmerkingen hebben neem dan gerust contact met me op.

Hartelijke groeten,
X.
ING Group / Corporate Communications
AMP C.03.005, Bijlmerplein 888, 1102 MG Amsterdam
P.O. Box 1800, 1000 BV Amsterdam
M +31 (0)6 1XXXXXX T+31 (0)20 5XXXXXX
E xxxx.xxxx@ing.com
W www.ing.com’

66.
Eiser is niet geheel ‘bien cuit’, als het aankomt op kennis van financiële zaken, maar datzelfde geldt voor (een aantal lieden van) gedaagde/ING en DNB, dus als eiser wat dat betreft verwijten naar het hoofd worden geslingerd, is er sprake van een ‘pot die de ketel verwijt dat hij zwart ziet’. Wat eiser met name opvalt aan het verhaal van voormelde X – ook gedaagde weet, althans kan weten wie hij is -, is dat gedaagde zich kennelijk bezig houdt met de praktijk van geldcreatie uit het niets (tegen rente en aflossing), zonder dat daartegenover spaargelden hoeven te staan en ook zonder dat er sprake hoeft te zijn van een 100% dekking, verre van dat! Voormelde X geeft aan dat er sprake is van regelgeving rondom deze dekking – gestelde minimale kapitaalratio’s -, welke regelgeving, naar de mening van eiser, uitzicht biedt op ‘een van de grootste reuzen op de kleinste lemen voeten’, waarmee eiser ook bedoelt aan te geven dat minimale kapitaalratio’s een eufemisme is voor ‘creatief boekhouden on death row, for the sake of the happy few’. Met dat laatste bedoelt eiser ook aan te geven dat ‘minimale kapitaalratio’s’, een door een te select gezelschap misbruikt arbitrair begrip is, welk arbitraire begrip op de laatste plaats iets zegt over bijvoorbeeld de (financiële) levensvatbaarheid van een bank als gedaagde, zeker ‘on the long(er) run’.

67.
Naar de mening van eiser – hij vaart vooral op zijn boerenverstand en op de meningen van meerdere ‘geleerden’ -, is ook gedaagde in financieel opzicht een ‘stervende patiënt in denial’, die moed wordt ingesproken door ‘geestelijk vader BIS’, in de vorm van het deksel op ‘ons aller doos van Pandora’, althans de Bazel (of Basel) III akkoorden, als (laatste) Heilige Sacrament der zieken. Laat eiser het vooral simpel (voor zichzelf) houden: zou aan een bedrijf als gedaagde een krediet worden verstrekt, op basis van de standaardnormen die gelden voor andere ondernemingen dan die van gedaagde? Daarop dient ontkennend te worden geantwoord en wel op basis van gedaagdes eigen vermogen van (veel) minder dan of rond de 3%. Om die reden is er gekozen voor ‘uitstel van executie’, althans een ‘vlucht vooruit’, in de vorm van mede door ‘Europa’ gesanctioneerde ‘Bazel III window dressing’, alias je hebt bedrijven en je hebt bedrijven. Als eiser ook op dit punt onzin uitkraamt, verneemt hij dat te zijner tijd wel van gedaagde, maar vergeet daarbij dan niet duidelijk te maken dat Bazel III, een de facto vooral een door de Kredietcrisis ingegeven politieke keus (van een elitair, ‘ondemocratisch’ select gezelschap) is, hoofdzakelijk ten faveure van de commerciële banken, welke keuze evenwel niet strookt, of in de pas loopt, met wat ‘wij’ hier in Nederland noemen: ‘goed koopmanschap’. Dat goede koopmanschap – dat wil zeggen: een eerlijke of reële waardering van bezittingen en verplichtingen van een onderneming -, zou evengoed voor een bank – een onderneming – als gedaagde moeten gelden, nog los van het lachertje dat ook gedaagde aan haar opgelegde boetes fiscaal mag aftrekken, op kosten van ‘laaghangend fruit’, in de vorm van uitgemolken belastingbetalers, tot welke groep eiser ook behoort. Dit loopt vroeg of laat spaak en bepaalde kameleons, zeker die van de meer opportunistische soort, onderkennen dat gevaar, met navenante kleurenmodificatie…; http://www.nrc.nl/nieuws/2012/11/19/wellink-commissaris-bank-of-china/. Waarom moet eiser toch zo sterk denken aan de kapitein van de Costa Concordia?

68.
Onder punt 2 van de hiervoor, onder punt 65 vermelde reactie van X, wordt ten onrechte betoogd, dat het geld uit het systeem verdwijnt, wanneer de lening wordt terugbetaald aan de bank. Dat komt eiser voor als onjuist. Weliswaar verdwijnt het deposito (het geld) bij de bank, dat ooit uit het niets werd gecreëerd. Echter, op basis van dat deposito – dat geld – kon deze bank, of een andere bank – op basis van het systeem van fractioneel reserve bankieren, (wederom) een veelvoud van dat destijds geplaatste deposito in omloop brengen middels geldcreatie uit het niets. Kortom, er komt (op die manier) steeds meer geld in omloop, ook al is er sprake van het verdwijnen van deposito’s, alias geld dat ooit uit het niets is gecreëerd.

69.
Wat daar verder ook van zij, eiser wenst in deze dagvaarding nogmaals en vooral te benadrukken, het voor hem te problematische aspect rente, over een geldsom uit het niets, welke rente – de rentesom/-vergoeding – in veel gevallen de uit het niets gecreëerde geldsom overstijgt, zeker in gevallen waarin er sprake is van langjarige (hypotheek)leningen, da’s lekker verdienen voor een select gezelschap… Voor zover gedaagde weg wil schieten in de hoek: de rente kan stijgen en de waarde van het onderpand kan stijgen, brengt eiser daar ook tegen in, het in ‘artikel 1:1 Wft omschreven verdienmodel van een economische moordenaar’, in relatie tot het verdienmodel van eiser alsmede andere rechtssubjecten, die het om uiterst raadselachtige redenen niet aan de haal mogen gaan met staatsgeld (hun geld, hun euro’s). Namens ING Group / Corporate Communications, lijkt X een adequate omschrijving te geven van het verdienmodel van gedaagde. X stelt in zijn reactie: ‘Wanneer banken een lening verstrekken aan klanten dan wordt er nieuw geld gecreëerd. Op de bankbalans verschijnt op de bezittingenkant een claim van de bank op de klant, dit is de lening zelf. Aan de verplichtingenkant van de bankbalans verschijnt een deposito, dit is de corresponderende claim van de klant op de bank. Het deposito is geld, en de creatie van het deposito is dus geldcreatie.’
Om voormelde redenen ziet eiser niet in dat (ons) geld (valuta), dat een andere entiteit dan een bank als gedaagde wel met een wezenlijke inspanning moet verwerven, door hier en daar en links en rechts wat drukken op knoppen, kan worden verdiend in de vorm van rente over geld uit het niets, alias winst voor de bank, althans voor een select gezelschap. Daarom ligt het veel meer in de lijn van onder andere de civielrechtelijke goeder trouw, om tegenover die geld-/valutacreatie en daarmee samenhangende inspanningen daarvoor en daarna, een redelijke en billijke tijdsvergoeding (honorarium) te stellen, in plaats van een absurd rente-/geldbedrag over nota bene ONS geld uit het niets.

70.
In haar brief d.d. 24-10-2013 (productie 4), verwoordt ING het door eiser bij zijn schrijven d.d. 21-08-2013 (productie 3) jegens haar ingenomen standpunt: “Uit uw relaas maken wij op dat u zich niet kunt vinden in de wijze waarop de financiële wereld in elkaar zit en functioneert. Het financiële systeem waarin banken als geldscheppende instelling een spilfunctie vervullen, is georganiseerd conform wettelijke richtlijnen en boekhoudkundige vereisten en staat onder toezicht van onder meer De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Om als bank leningen te mogen verstrekken dient de bank aan liquiditeits- en solvabiliteitseisen te voldoen. Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.” In voormelde brief van 24-10-2013, geeft gedaagde eiser bovendien te kennen: “U bent met het ondertekenen van de hypotheekakte waarvan de akte van geldlening deel uitmaakt, de verplichting aangegaan om de hypothecaire geldlening met de overeengekomen rentevergoeding terug te betalen. Wij zien op grond van hetgeen u stelt, geen aanleiding om af te wijken wat wij met u zijn overeengekomen.” Dat komt eiser, met al zijn bijeengesprokkelde wetenschap, voor, als een redenering die veel te kort door de bocht is. Eiser ontkent en betwist uitdrukkelijk dat er, in die context, geen reden is om af te wijken wat gedaagde met hem is overeengekomen. Die overeengekomen rentevergoeding, in ruil voor eigen schuldenmakerij en op basis van eisers arbeidsvermogen en kapitaalinzet en -preservatie, stinkt als een jarenlang gedragen sok vol gaten.

71.
In deze kwestie draait het ook om de door gedaagde opgeworpen stelling: ”Om als bank leningen te mogen verstrekken dient de bank aan liquiditeits- en solvabiliteitseisen te voldoen. Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.”
(productie 4). Daarmee schuift gedaagde haar (eigen) verantwoordelijkheid, die zij over diverse boegen heeft, veel te gemakkelijk af op de ‘fata morgana’ die wordt omschreven als, ‘een door de wetgevers aan te passen financieel systeem’, waarvan nota bene haar (eigen) personeel niets, althans onvoldoende lijkt te begrijpen. Dat neemt eiser hen niet kwalijk, maar dat blijft wel een hard en vaststaand feit.

72.
De discussie met betrekking tot de (non-)legitimiteit van de ook aan gedaagde gestelde liquiditeits- en solvabiliteitseisen (de BIS Bazel I, II en III Akkoorden), welke eisen binnen de Europese Unie zijn geïmplementeerd onder de reeds hiervoor gememoreerde noemer Capital Requirements Directive(s); CRD), kan eiser ook niet laten voor wat zij is; zie: http://www.toezicht.dnb.nl/4/1/50-203922.jsp. Dat zit hem met name in het feit, dat deze eisen niets zeggen over de wijze waarop gedaagde geld creëert (volgens ‘procedé x’) en of er op het moment van geldcreatie sprake is van een onderliggende dekking (funding), In plaats van achteraf. Econoom Ad Broere, auteur van het boek ‘Geld komt uit het niets’ heeft daar het nodige onderzoek naar gedaan. Daarbij haalt Broere onder andere aan, een 13-08-2013 gedateerd rapport dat afkomstig is van Paul Sheard. Sheard is thans werkzaam als hoofdeconoom bij het alom bekende, beruchte en vreselijke ratingbureau Standard & Poor’s (S&P; http://www.standardandpoors.com/spf/upload/Ratings_US/Repeat_After_Me_8_14_13.pdf). Als employé van zakenbank Lehman Brothers, maakte Sheard de val van deze bank, wier faillissement op 15-09-2008 werd uitgesproken, van zeer nabij mee. Broere heeft eiser gewezen op de volgende passage in het rapport van Sheard: ‘Banks lend by simultaneously creating a loan asset and a deposit liability on their balance sheet. That is why it is called credit “creation”–credit is created literally out of thin air (or may be better: with the stroke on a keyboard). The loan is not created out of reserves. And the loan is not created out of deposits: Loans create deposits, not the other way around. Then the deposits need a certain amount of reserves to be held against them, and the central bank supplies them.’ Voor zover er überhaupt nog twijfel bestaat over de praktijk van gedaagde – geldcreatie uit het niets -, dan neemt Sheard die definitief weg, zo neemt eiser gevoeglijk aan.

73.
De hiervoor vermelde zin: ‘Then the deposits need a certain amount of reserves to be held against them, and the central bank supplies them’, brengt eiser in een zekere, zo niet opperste staat van paraatheid. De reden daarvan is gelegen in het feit dat deze praktijk weerspiegelt een, naar de mening van eiser, omgekeerde en verkeerde of onrechtmatige manier van zaken doen, omdat daarmee de vermeend tot orde en discipline aanzettende Bazel Akkoorden en daarop geënte CRD’s zijn verworden tot ‘de grootste wassen neuzen van regelingen’. Immers, gedaagde kan geld digitaal uit het niets creëren (volgens ‘procedé x’) en digitaal uitlenen, waarna de centrale bank (bijvoorbeeld de ECB) zorgt voor een onderliggende dekking, ergo (ook nog) eens (gebleken) ongefundeerde geldcreatie uit het niets. Met andere woorden: ook volgens Sheard, wurmt een bank als gedaagde zich achteraf – later – in de capsule van de aan haar gestelde (arbitraire) minimum kapitaalsvereisten met hulp van de ECB, tevens zijnde een ‘non-democratische volghond/achtervang’.

74.
Daarop sluit zo goed als naadloos aan, de volgende uitlating van de toenmalige vicepresident van de Federal Reserve Bank of New York, Alan R. Holmes. Deze Holmes wond er in 1969 beslist ook geen doekjes om, toen hij aangaf: ‘In the real world, banks extend credit, creating deposits in the process , and look for the reserves later.’ Met deze uitlating was ook Holmes ‘spot on’, in die zin dat gedaagde, (eveneens) in het geval van eiser eerst geld uit het niets heeft gecreëerd, waarna zij de reserve (funding) daarvoor, daar achteraf bij heeft gezocht. Kortom, ook deze constatering geeft voer aan eisers stelling, dat niet valt in te zien waarom gedaagde jegens hem het recht op een meer dan kostendekkende rente, over geld – haar eigen schuld – dat zij – na ‘procedé x’ – uit het niets heeft geschapen (zonder funding), in redelijkheid kan inroepen.

75.
De discussie in verband met het feit, althans de gerede mogelijkheid dat gedaagde ‘during the game of musical chairs’ de hypotheek van eiser mogelijk heeft gesecuritiseerd – lees ook: mogelijk heeft doorverkocht aan investeerders – waarvoor zij een flinke som geld heeft ontvangen, wil eiser voorwaardelijk aangaan, daar hem vooralsnog niet bekend is dat daarvan in zijn geval sprake is. In 2013 heeft het radioprogramma Argos, een uitzending gewijd aan het fenomeen securitisatie ). Hypotheeksecuritisatie – de verkoop van niet meer dan economisch(!) eigendom (een relatief recht; een vorderingsrecht; een derivaat), staat onder andere op gespannen voet met, of derogeert aan artikel 5:1 lid 3 BW. Immers, gedaagde is slechts hypotheeknemer en wat het recht van hypotheek exact inhoudt, is duidelijk in de wet omschreven. Eiser daarentegen is eigenaar van de woning, waarop dat hypotheekrecht van gedaagde rust. Echter, als (juridisch) eigenaar – houder van het zakelijke eigendomsrecht –, heeft eiser wel het recht op de vruchten van de woningeigendom. Dat staat met zoveel woorden in artikel 5:1 lid 3 BW. Kortom: gedaagde mag misschien wel (in)direct het door eiser aan haar verleende hypotheekrecht securitiseren, maar de rechten die voortvloeien uit het juridische eigendomsrecht van eiser, mag gedaagde niet zomaar passeren. Meer concreet, securitisatie van de hypotheek van eiser, is onlosmakelijk verbonden aan het (juridisch) eigendomsrecht van eiser, op grond van artikel 5:1 BW. Kortom: geen eigendomsrecht van eiser, betekent geen hypotheekrecht van gedaagde, betekent geen securitisatie door gedaagde. De woningeigendom van eiser geeft hem – niet gedaagde – recht op de vruchten – de securitisatieopbrengst – die uit die eigendom voortvloeien.

76.
Aldus kiest eiser, zij het op voorwaardelijke basis, voor een andere benadering, namelijk de benadering over de boeg van artikel 5:1 (lid 3) BW. Die benadering is anders dan de benadering, zoals voorgelegd aan de Rechtbank Rotterdam; vonnis d.d. 01-05-2013, vindplaats: LJN CA 2973; kort samengevat, luidde dat vonnis als volgt: securitisatie leidt niet tot het teniet gaan van de (hypothecaire) geldlening van de eisers. In die gerechtelijke procedure stelden eisers, wier hypotheek was gesecuritiseerd, zich op het standpunt dat als gevolg van de securitisatie van hun hypotheek, de vordering van de bank op hen is voldaan. Dit standpunt is volgens de rechtbank onjuist, welke rechtbank onder andere motiveert als volgt: de zorgplicht van de bank strekt niet zover dat zij particulieren die een hypothecaire geldlening willen afsluiten moet informeren over de mogelijkheid dat deze geldlening in de toekomst mogelijk onderwerp zal zijn van een securitisatie. Deze motivering/overweging gaat echter niet in op het eigendomsrecht van de hypotheeknemer en diens recht op de vruchten daarvan.

77.
De econoom prof. dr. Jan Pen (http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pen_(hoogleraar) ) schreef in zijn voorlichtingsboek ‘Kijk, Economie’ (1979), al het een en ander over geldschepping. Een paar citaten daaruit:
1. ‘Er gaat bovendien het gerucht, dat ook gewone banken geld kunnen maken. Dat gerucht is juist’ (pagina 126);
2. ‘ (…) geld is waar we anderen vlot mee kunnen betalen. Een vordering op een bank is geld. Een vordering op mij is geen geld (…)’ (pagina 127);
3. ‘Door die daad van kredietverlening vervaardigt de bank geld, dat er eerst niet was. Dat gebeurt ook als de gewone particulier geld van de bank leent’ (pagina 128)
4. ‘Een bank is een geldfabriek, en niet alleen een doorgeefluik van geld.’ (pagina 128).
78.
Eiser hecht er aan nogmaals over het voetlicht te brengen, de namens gedaagde opgeworpen stelling: ‘Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.’ (productie 4). Indien wordt uitgegaan van de premisse dat gedaagde ten tijde van het aanslaan van de hiervoor bedoelde € 312.500,- in een digitale gegevensdrager, voldeed aan de voor haar geldende liquiditeits- en solvabiliteitseisen, betekent zulks nog niet dat in de wereld alom is aanvaard, hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Daarmee onderbouwt gedaagde helemaal niets.

79.
Daarmee wil eiser ook gezegd hebben dat het buitengewoon merkwaardig is, dat een bank als gedaagde, zich jegens een ander rechtssubject, kan bedienen van de kennelijk ongereguleerde, althans voor een fors deel ongereguleerde en beslist niet alom aanvaarde praktijk – de praktijk van ongefundeerde digitale geldcreatie uit het niets –, zonder onderliggende dekking (funding), waarbij een bank als gedaagde, naast terugbetaling van het digitaal uit het niets gecreëerde geld, tevens haar recht kan doen gelden op een rentevergoeding (=geldvergoeding; ‘free lunch’) over nota bene geld (ONS geld) dat zij uit het niets heeft gecreëerd. Herhaling: de pijn van eiser zit hem met name in het feit dat door een bank als gedaagde, over simpelweg uit het niets gecreëerd geld, een rentevergoeding wordt verlangd, waarbij – nogmaals – volgens gedaagde de maatstaf is: ”Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.” (productie 4). Dat zulks per se, of juist wel indruist tegen het recht en het rechtsgevoel dat alom in de wereld is aanvaard, behoeft wellicht geen nader betoog, zeker nu duidelijk is welk, nota bene kennelijk ook niet door haar personeel begrepen kunstje, een bank als gedaagde flikt, met ONS geld.

80.
Eiser stelt bij deze dat de huidige tendens zich prima laat omschrijven als: wantrouwen in een volstrekt onvoldoende zelfreinigend financieel systeem, met – tot op de dag van vandaag en zeker ook daarna – vele missers en schandalen. Typerend is onder andere de in 2013 gedane uitlating van Hans van der Noorda, CEO Banking Benelux van ING (gedaagde): ‘Om het vertrouwen van klanten weer te winnen, moeten we ons bedrijfsmodel echt opnieuw uitvinden.’ Met deze uitlating maakt ING duidelijk dat zij ook geen fiducie meer heeft in de praktijk van geld verdienen, op basis van geldcreatie uit het niets, zonder onderliggende dekking (funding), in ruil voor aflossing en rente over dat geld uit het niets – haar bedrijfsmodel –, ook niet meer ziet zitten (http://www.ing.com/Ons-Bedrijf/Over-ons/Features-archief/We-hebben-heel-wat-bereikt-…..htm).

81.
De volgende, recente verklaring van econoom drs. Ad Broere, maakt eiser tot de zijne. Deze verklaring vormt mede de basis van de onderstaande eis tegen gedaagde: (Broere) ‘Als een koper van een woning een contract sluit met de bank voor een hypothecaire lening dan vormt het contract een bezit van de bank, dat als vordering op de koper van de woning debet bij de activa worden geboekt. Aan de andere kant, credit bij de schulden boekt de bank een fictief deposito met een bedrag gelijk aan de verplichting die de bank aan de koper van de woning heeft. Dus de initiële boeking betreft een creatie van geld dat er voordien niet was. Het is dus niet waar dat een bank moet wachten op een of andere funding in de vorm van spaargeld of een echt deposito of anderszins voordat het tot kredietverlening kan overgaan. Als de verkoper van de woning een rekening bij dezelfde bank heeft dan blijft de situatie op de balans dezelfde, namelijk een verschuiving van deposito van A naar deposito van B. Als de koper een rekening heeft bij een andere bank, dan heeft de bank een verplichting aan de andere bank. Omdat er dagelijks heel veel transacties plaatsvinden worden alle verplichtingen en vorderingen gesaldeerd. Het netto saldo dat overblijft wordt met ‘centrale bank geld’ afgedekt. Dit geld komt niet in circulatie, maar dient er slechts voor om interbancaire vorderingen en verplichtingen af te wikkelen.
Dit is de werkelijkheid. Dus er is geen sprake van dat een bank het geld uitleent dat door spaarders is toevertrouwd. Banken kunnen op deze manier onbeperkt geld scheppen. Het enige dat hen daarin afremt is de factor risico. Dit risico wordt hoger geacht in slechte economische tijden dan in voorspoedige. Dus zijn banken niet erg bereid om in slechte tijden geld uit te lenen, in het bijzonder als dat door de ‘wijze mannen in streepjespakken’ als riskant wordt beoordeeld. Banken worden ‘afgestraft’ voor teveel risico door een lage Tier ratio. Deze ratio is gebaseerd op het eigen vermogen gedeeld door het risicogewogen balanstotaal, waarbij ‘risicoloze’ leningen niet worden meegeteld, leningen met meer risico een factor tussen 0 en 1 krijgen en zeer risicovolle leningen in zijn geheel moeten worden meegeteld. Dus, als de bank een eigen vermogen heeft van 4 en het balanstotaal is voor risicoweging 100, dan heeft de bank een ‘normale’ solvabiliteit van 4%. Als door risicoweging de balans verkort wordt tot de helft dan is de solvabiliteit volgens de Tier ratio plotsklaps 8% geworden en voldoet de bank aan de regelgeving. Het is vanzelfsprekend nogal wat dat je op moment t een uitspraak kunt doen over het risico in al je vorderingen op het moment t+10. Zeker in dit tijdsgewricht is het een knap staaltje van kijken in de kristallen bol.

Voor zover deze of gene moeite zou hebben met de werkelijkheid van geldschepping omdat dit op geen enkele opleiding wordt verteld, dan kan er worden gewezen op het feit dat er een grote mismatch is tussen de duur van toevertrouwde gelden, waarvan 80-90% binnen een maand opvraagbaar is en de duur van het uitgeleende geld, waarvan niet meer dan 10% binnen een maand opvraagbaar is. Dit houdt in, dat banken op het moment dat een contract wordt aangegaan voor een lening met een duur van 30 jaar er absoluut geen zekerheid is dat de dekking voor die lening er gedurende de gehele looptijd ook zal zijn. Puur gokwerk dus en de vraag doet zich voor of banken dan in staat zijn/gerechtigd zijn tot het aangaan van dit contract.’

82.
In dit kader refereert eiser tevens aan een vonnis dat is gewezen in een kwestie die speelde tussen SNS Bank (geldgever) en de heer Joosten (geldlener), welk vonnis afkomstig is van de Rechtbank Oost-Brabant, Kanton ’s-Hertogenbosch d.d. 30-05-2013 (zaaknummer: 897121; rolnummer: 13-3940; productie 5).

Bijzondere aandacht trekt de daarin opgenomen rechtsoverweging 3.

‘3 De beoordeling.
1. Joosten heeft niet bestreden dat hij een lening (in rekening-courant) heeft ontvangen van SNS Bank ten bedrage van € 17.188,35, althans dat dat bedrag nog als openstaand in rekening-courant resteert.
3.2. Het verweer van de gemachtigde van Joosten dat Joosten van het geleende bedrag geen euro heeft ontvangen, moet, in letterlijke zin, waarschijnlijk als juist worden aanvaard. Eveneens zal juist zijn dat de banken slechts bedragen van de ene rekening naar de andere overboeken zonder dat er in werkelijkheid een euro wordt verplaatst. En voorts zal juist zijn dat slimme economen een theorie hebben ontworpen op grond waarvan er op de een of andere (voor de leek ondoorgrondelijke) wijze dekking bestaat voor de bedragen die bij rekeninghouders op de rekening staan. In hoeverre die dekking daadwerkelijk bestaat en in hoeverre die theorie juist is, behoeft echter in dit geding niet te worden beoordeeld, om de volgende reden.
3.3. Joosten heeft namelijk, zo blijkt uit de bij dagvaarding overgelegde stukken, gebruik gemaakt van de hem door SNS Bank ter beschikking gestelde gelden (ook al was dat volgens de gemachtigde van Joosten een slechts zuiver theoretische, boekhoudkundige terbeschikkingstelling) door daarmee (kennelijk eveneens zuiver theoretische) betalingen te doen aan derden. Daarmee is (binnen het in de westerse wereld geldende juridische systeem, dat – toegegeven – op slinkse wijze aan het economische systeem is gekoppeld) op hem de plicht jegens SNS Bank komen te rusten om de hem (boekhoudkundig) ter beschikking gestelde gelden terug te betalen. Die terugbetaling behoeft echter niet te geschieden door daadwerkelijk euro’s naar SNS Bank te brengen, maar mag eveneens zuiver boekhoudkundig gebeuren door een overboeking van een rekening naar de rekening van SNS Bank. Binnen het heersende systeem bestaat namelijk (in principe) voor een zodanige overboeking dezelfde dekking als voor de overboeking die SNS Bank aan Joosten heeft gedaan. Deze dekking bestaat misschien niet daadwerkelijk, maar wel theoretisch, zolang iedereen, althans veruit de meeste mensen, vertrouwen hebben in het systeem op de dag van deze uitspraak is dat nog het geval, althans – zo moet dezer dagen een slag om de arm worden gehouden – de kantonrechter hebben nog geen andersluidende berichten bereikt.’

83.
In de zaak Joosten versus SNS Bank, sanctioneert de kantonrechter zonder woorden – zonder woorden! – het recht van SNS Bank om, op basis van een door haar – SNS Bank – geïnitieerd zuiver boekhoudkundig gebeuren – haar schuld! -, aan Joosten rente in rekening te brengen over een op basis van een zuiver boekhoudkundig gebeuren gecreëerd geldbedrag, alias geld uit het niets, zonder de redelijkheid en billijkheid daarvan te toetsen en zonder stil te staan bij onder andere de op SNS Bank rustende plicht aan te geven hoe eruitziet, de door haar geleverde dienst – geldcreatie volgens ‘procedé x’, en hoe het daaruit voortgekomen product – de geldsom (valuta); de vordering op naam; goed – tot stand is gekomen. Daarbij hebben we het nog niet gehad over de (in)directe arbeids- en kapitaalinzet van Joosten. Ook dit laatste in het licht van de gedachte van de gemiddelde consument, die denkt dat een bank dat geld in kas heeft, welk geld op een bepaalde wijze wordt verplaatst naar een bankrekening. Hoe dan ook zal de gemiddelde consument beslist niet denken aan een boekhoudkundige handeling – het aanslaan van een geldbedrag in een computer – waarna er geld uit het niets in existentie is gekomen.

84.
Wat eiser aan dat vonnis opvalt is, dat de kantonrechter zich in deze zaak niet heeft uitgelaten over de tussen partijen overeengekomen kredietrente dat door SNS Bank werd geheven over, aldus (ook) de kantonrechter, ‘dat zuiver boekhoudkundig gecreëerde geld’. Overigens moet die kredietrente niet worden verward met vertragingsrente en wettelijke rente, waarover de kantonrechter zich wel uitdrukkelijk heeft uitgelaten en waarmee gedaagde feitelijk schermt en tevens de plank misslaat, getuige de redactie van haar brief d.d. 24-10-2013 (productie 4). Zie in dat kader ook de volgende passage onder rechtsoverweging 3.3: ‘Daarmee is (binnen het in de westerse wereld geldende juridische systeem, dat – toegegeven – op slinkse wijze aan het economische systeem is gekoppeld) op hem de plicht jegens SNS Bank komen te rusten om de hem (boekhoudkundig) ter beschikking gestelde gelden terug te betalen.’ Betoogd kan worden dat de kantonrechter aangeeft, dat op Joosten de plicht rust om de door SNS Bank digitaal uit het niet gecreëerde gelden – boekhoudkundig gecreëerde gelden – terug te betalen, maar de kantonrechter laat zich, om hem of haar moverende redenen, niet uit over hoe het zit met de door Joosten te betalen, tussen hem en SNS Bank overeengekomen kredietrente (over dat geld uit het niets), welke kredietrente met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een woekerrente van het zuiverste water is, hetgeen zich niet verdraagt met hetgeen eiser hiervoor te berde heeft gebracht. De woorden van de kantonrechter onder 3.3: ‘Binnen het heersende systeem bestaat namelijk (in principe) voor een zodanige overboeking dezelfde dekking als voor de overboeking die SNS Bank aan Joosten heeft gedaan. Deze dekking bestaat misschien niet daadwerkelijk, maar wel theoretisch, zolang iedereen, althans veruit de meeste mensen, vertrouwen hebben in het systeem.’ Gesteld dat de basis is zoals de kantonrechter heeft aangegeven, dan geeft het ook op die basis geen pas, om een van staatswege geredde bank – een non-bedrijf als gedaagde – meer te gunnen dan een kostendekkende vergoeding.

85.
De simpele vaststelling van eiser is, dat (ook) door voormelde kantonrechter, een voor de meesten onder ons, bewust niet of vaag omschreven, of onder de pet gehouden systeem, met een niet gebleken daadwerkelijke dekking, als panacee voor een wezenlijk moreel en juridisch probleem aan de orde wordt gebracht, zonder daaraan een nadere en afdoende juridische explicatie te koppelen. Over welk wettelijk kader heeft de kantonrechter het eigenlijk? De opvulling van een dergelijke juridische leemte, middels een simpele verwijzing naar een vigerende leenovereenkomst, kan door eiser vooralsnog niet worden aanvaard. Eiser nodigt gedaagde uit – eindelijk – aan te geven op welke wettelijke bases – bases! – haar recht om geld uit het niets te mogen creëren, is gestoeld – zo is zij ook in het geval van eiser te werk gegaan! –, waarbij gedaagde tevens mag aangeven waarop haar recht om eerst geld uit het niets te mogen creëren berust, nog voordat zij daarvoor de reserves (funding) heeft, omdat gedaagde in het geval van eiser op die wijze te werk is gegaan. De situatie wordt uiterst bedenkelijk, zodra er wordt gedacht aan een door gedaagde gestipuleerd recht op rente en als in overweging wordt genomen de reeds hiervoor aangehaalde rechterlijke overweging: ‘Deze dekking bestaat misschien niet daadwerkelijk, maar wel theoretisch, zolang iedereen, althans veruit de meeste mensen, vertrouwen hebben in het systeem.’ Met andere woorden: op basis van ‘een wellicht niet bestaande dekking’, wordt van eiser verwacht dat hij zich, vanwege ‘een wellicht niet bestaande dekking’, zich ter meerdere eer en glorie – winst (rente; a ‘free lunch’) van een aan het staatsinfuus liggende, maar wel commercieel opererende ‘Januskop van een gedaagde’, met minder dan of rond 3% eigen vermogen, een slag in de rondte werkt, ter facilitering van een gedaagde, die zich laaft aan een ‘volstrekt in-transparant verdienmodel van A tot Z’, alias ‘procedé x’. Voor zover gedaagdes verdienmodel is gestoeld op het criterium, dat ‘iedereen, althans de meeste mensen, vertrouwen hebben in het systeem’, doet eiser dat af als een volstrekt ontoereikende motivering op alle fronten. Dat systeem draait wel op ONS geld (staatsgeld, onze euro).

STANDPUNT GEDAAGDE

86.
Gedaagde: ‘Uit uw relaas maken wij op dat u zich niet kunt vinden in de wijze waarop de financiële wereld in elkaar zit en functioneert. Het financiële systeem waarin banken als geldscheppende instelling een spilfunctie vervullen, is georganiseerd conform wettelijke richtlijnen en boekhoudkundige vereisten en staat onder toezicht van onder meer De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Om als bank leningen te mogen verstrekken dient de bank aan liquiditeits- en solvabiliteitseisen te voldoen. Bovendien is in de wereld alom aanvaardt (sic; PW) hoe de financiële markt functioneert en is georganiseerd. Het aanpassen van het financiële systeem zal door de wetgevers moeten worden geïnitieerd.’ (productie 4).

87.
Gedaagde: ‘U bent met het ondertekenen van de hypotheekakte waarvan de akte van geldlening deel uitmaakt, de verplichting aangegaan om de hypothecaire geldlening met de overeengekomen rentevergoeding terug te betalen. Wij zien op grond van hetgeen u stelt, geen aanleiding om af te wijken wat wij met u zijn overeengekomen.’ (productie 4). Overigens levert zulks tevens op, een ‘artikel 6:83 sub c BW situatie’, weshalve (verdere) aanmaning/sommatie vanwege gedaagdes niet-nakoming van haar verbintenis jegens eiser, geen zin (meer) heeft.

88.
Op 12-11-2013 heeft de heer J., als hypotheekadviseur werkzaam in dienst van gedaagde, eiser telefonisch het volgende medegedeeld: dat is ontvangen, de sommatiebrief van eiser d.d. 08-11-2013 (productie 6), inclusief daaraan gehechte conceptdagvaarding). De heer J. gaf eiser te kennen ‘niet zeker te weten of gedaagde zich bediende van de praktijk van digitale geldcreatie uit het niets’. De heer J. gaf aan ‘dat hij er van uit gaat dat een bank geld aantrekt en dat uitleent’. Op de door eiser gestelde vraag ‘of hij (J.) zeker weet dat gedaagde zich niet bedient van digitale geldcreatie uit het niets, door middel van het aanslaan van een €-teken en daarachter een cijfer in een digitale gegevensdrager’, gaf hij (J.) aan ‘dat hij altijd heeft gedacht dat er altijd geldstromen staan tegenover een lening’. Het door eiser aangehaalde punt: geldcreatie uit het niets vindt J. ‘een interessante materie, hoewel hij er altijd vanuit ging van een geldstroom die staat tegenover een lening, hij ook maar een mens is en dat hij het misschien wel bij het verkeerde eind heeft’.

WEERLEGGING STANDPUNT GEDAAGDE

89.
De weerlegging van het standpunt van gedaagde, schuilt wel in boven- en onderstaande tekst.

JURIDISCHE KWALIFICATIE

90.
Vooraleer de door gedaagde, ook jegens eiser gebezigde praktijk van geldcreatie uit het niets, in ruil voor daartegenover door eiser op te brengen, op zichzelf te rechtvaardigen aflossing en níet, althans niet zo zondermeer te rechtvaardigen rente over geld uit het niets, te toetsen aan de Nederlandse wetgeving, wenst laatstgenoemde deze praktijk eerst te leggen langs de verdragsrechtelijke meetlat.

91.
De hiervoor (herhaald) uit en te na beschreven (bank)praktijk van gedaagde, waaronder ‘procedé x’, staat op gespannen voet met het beginsel van gelijkheid/non-discriminatie, zoals onder andere is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) juncto artikel 1 lid 1 van het 12e Protocol bij het EVRM alsmede artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), omdat een bank een bedrijf is dat in tegenstelling tot burgers, of andere bedrijven digitaal geld kan creëren uit het niets, zonder onderliggende dekking (funding) en daarover ook nog eens winst (‘free lunch’), in de vorm van een meer dan kostendekkende rente verlangt van burgers, of andere bedrijven, die daar (wel) wezenlijke arbeid en/of wezenlijk kapitaal (tastbaar bezit/eigendom) tegenover moeten stellen. Daarbij bleek ook, dat een bank als gedaagde, in 2009, in tegenstelling tot 10.559 andere rechtssubjecten geen faillissement tegen zich heeft horen uitspreken, terwijl de situatie waarin gedaagde toen (en nu) verkeerde, niet wezenlijk anders was dan voormelde 10.559 rechtssubjecten (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/veiligheid-recht/publicaties/artikelen/archief/2010/2010-012-pb.htm). Dat heet discriminatie. Daarbij kan gedaagde niet wegschieten in de kier van: maar dit was een zaak van algemeen belang, of iets dergelijks, alsof 10.559 (2009), 9.620 (2010), 9.531 (2011) en 12.937 (2012) bedrijfsfaillissementen – lees ook: persoonlijke faillissementen/gezinsfaillissementen, plus bijkomende dure ontslagen en uitkeringen et cetera – evengoed geen zaak van algemeen belang is. Aldus kan de redding van gedaagde en de daaraan gelieerde natuurlijke personen – aandeelhouders, directieleden et cetera – in het seizoen 2008/2009 (en daarna), tevens worden gekwalificeerd als zijnde discriminatie – geen gelijke behandeling – van ondernemingen en natuurlijke personen die het bijltje er wel bij hebben moeten neergooien, omdat hen een andere behandeling dan gedaagde cum suis ten deel viel.

Nog meer concreet verdraagt de rol van gedaagde c.s., zich ook niet met de volgende regelgeving:

Artikel 1 Grondwet: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

Artikel 14 EVRM: “Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.” Artikel 1 lid 1 van het 12e Protocol bij het EVRM luidt: “Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.”

Artikel 26 IVBPR: “Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke behandeling door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard dan ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.”

In dit kader beperkt eiser zich tot het trekken van de conclusie, dat voormelde regelgeving beslist niet aan discriminatie van natuurlijke personen – ook eiser – en rechtspersonen, ten faveure van gedaagde cum suis in de weg heeft gestaan. Ook vandaar dat eiser aanspraak maakt op een deel van ‘gedaagdes buit’ (door ONS geld) en dat zouden meer mensen moeten doen.

92.
De door een bank als gedaagde bedongen rente – ‘free lunch’ -, over ‘luchtgeld’, levert tevens op (verkapte) verboden dwangarbeid en slavernij (vide artikel 4 EVRM en artikel 8 IVBPR). Eiser en anderen moeten zich een slag in de rondte werken, teneinde meer geld aan rente te generen, dan zijn lening groot is en gedaagde had geen geld, doch creëerde dat uit het niets en vroeg en vraagt daarover die rente. Dit is ook volkomen ‘knots’. De volgende beschrijving van Lev Tolstoj (*1828 – +1910) sluit prachtig daarop aan: “Geld is een nieuwe vorm van slavernij, te onderscheiden van de oude door het simpele feit dat het onpersoonlijk is, er is geen menselijke relatie tussen de meester en de slaaf.”

93.
Indien wordt uitgegaan van de premisse dat gedaagde een bank is, is zij geen bank in de zin van artikel 1:1 Wft, mede omdat de door haar gebezigde praktijk van geldcreatie uit het niets, niet strookt met de (19e eeuwse) definitie van ‘bank’ in (onder andere) artikel 1.1 Wft en zij, zo is gebleken, het kredietrisico – ook afgeleid kredietrisico – aantoonbaar niet zelf droeg en draagt, tenzij onder het in artikel 1.1 Wft opgenomen woord ‘voor eigen rekening’, ook moet worden verstaan: voor rekening van de Staat der Nederlanden en/of haar burgers en/of haar belastingplichtigen. Van daaruit even de volgende excursie, in eisers contreien. Het zou eiser als uiterst bizar voorkomen, als rechters in een rechtbank, beloond zouden worden, op basis van het financiële belang van de door hen ingenomen en behandelde zaken. In wezen is het vreemd, dat banken worden beloond – hun ‘free lunch’ – op basis van het geldvolume – de hoeveelheid geld – dat door deze instellingen wordt uitgeleend, nog even los van de (in)directe winsten die de verzekeringstak van een entiteit als gedaagde binnen harkt op basis van verzekeringen, bijvoorbeeld een verzekering strekkende tot de met een hypotheekrecht bezwaarde eigendomswoning van eiser. Een dergelijke verzekering is ook gedaagdes verzekering, met dien verstande dat eiser de premie daarvoor betaalt. Eiser voelt zich thans een ezel, maar wel een van het bedrogen en verraden soort.

94.
Verder beroept eiser zich jegens gedaagde op artikel 6:162 BW. “Artikel 6:162 lid 1: Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden; lid 2: Als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt een inbreuk op een recht en het doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.” In deze kwestie heeft gedaagde, voorafgaande aan de sluiting van de overeenkomst van geldlening, op 21-10-2010, eiser niet op de hoogte gebracht van de door haar gevoerde, kennelijk niet door een gecodificeerde regel aan banden gelegde, gevoerde praktijk van geldcreatie uit het niets, inclusief de ‘ins and outs’ van ‘procedé x’, waardoor eiser schade heeft geleden in de vorm van de, sinds 21-10-2010 op hem rustende verplichting aan gedaagde te betalen, alles dat ligt boven een daarvoor aan haar te betalen redelijke en billijke rentevergoeding, indachtig artikel 3:12 BW juncto artikel 6:2 BW.

95.
Onder een redelijke en billijke rentevergoeding verstaat eiser: een gedaagde toekomende vergoeding van € 350,- (zegge: driehonderdenvijftig euro) per uur, exclusief Btw, voor de tijd die gedaagde stak in de creatie van geld uit het niets alsmede de tijd die gedaagde stak en steekt in de daarbij behorende administratieve handelingen. Daarmee maakt eiser bovendien duidelijk dat hij ‘de beroerdste’ nog niet is. Belangrijk – herhaald – punt: gedaagde is mogelijk wel enigszins, of op een beperkt vlak, gebonden aan gecodificeerde regels, die in eerste instantie afkomstig zijn van een niet-democratisch gelegitimeerd orgaan als de BIS. Echter, er staat geen wettelijke maat op haar recht om op basis van een bepaald (onduidelijk) procedé geld uit het niets te mogen creëren, laat staan dat er een wettelijke maat staat op haar recht om over dat geld uit het niets rente over geld uit het niets te mogen verlangen. Gedaagde kan niet zondermeer wegkomen met de mededeling: dat is uw vrije keuze, eiser, althans woorden van die strekking. Ook in commissie stelt eiser: deze werkwijze zoekt onder meer de grenzen op, of komt binnen de grenzen van valsemunterij (extensief geïnterpreteerd). Zie in dat kader artikel 51 juncto artikel 208 Sr.: (digitale)valsemunterij, gepleegd door een rechtspersoon en haar feitelijk leidinggevenden). Zie in dat kader ook: .

96.
Eiser stelt zich ook op het standpunt dat gedaagde tevens tekort is geschoten in de uitvoering van de op haar rustende contractuele verplichting – eiser beroept zich daarbij op artikel 6:74 BW, omdat gedaagde, tijdens de (nog immer lopende) contractperiode, middels het voorzien van de juiste informatie aan eiser voor wat betreft haar handelwijze zoals hiervoor (en hierna) vermeld, op haar schreden kon en had kan terugkeren, ter tegemoetkoming van eiser.

97.
In het geval dat een technisch failliete gedaagde – met een eigen vermogen van 0%, althans van rond de 3%, is gedaagde “über verschuldet” – haar geldcreatie uit het niets, zonder dekking, omschrijft als een legale activiteit, dan betekent dat vanuit het oogpunt van gedaagde, dat er niets in de weg lijkt te staan zelf digitaal euro’s aan te maken en die op geheel eigen (digitale) wijze in het betalingsverkeer brengen of aan te wenden – op de wijze zoals gedaagde dat doet –, althans gedaagde wordt uitgenodigd te verklaren op basis van welke wet zij wel en eiser geen geld (euro’s) uit het niets mag creëren. Het is staatsgeld, onze euro en ONS geld. Eiser ontkent en betwist de stelling van gedaagde, dat zij enig wettelijk basis recht had en heeft om, op basis van een wetteloos daaraan voorafgaand proces, digitaal geld, digitaal uit het niets te creëren, zonder onderliggende dekking, althans eiser ontkent en betwist dat zij op enige wettelijke basis recht had en heeft om geld, digitaal uit het niets te creëren. Het zij nogmaals aangeven, gedaagde kan zich niet verschuilen achter bestaande kapitaalvereisten, omdat die hoegenaamd geen betrekking hebben op de door haar gevoerde praktijk van digitale geldcreatie uit het niets (‘procedé x’), zonder bijbehorende dekking, welke praktijk los staat van kapitaalvereisten. Deze werkwijze verdraagt zich niet met de werkwijze van degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen. Kortom, de gedraging van gedaagde jegens eiser was onder andere in strijd met artikel 1:1 Wft. In dat kader zou gedaagde zich wellicht nog kunnen beroepen op de Schutznorm-regel ex artikel 6:163 BW (HR 17-01-1958, NJ 1961, 568), maar hoe dan ook laat dat onverlet de overige rechtsgronden, met daarbij een uitdrukkelijk beroep op de correctie Langemeijer, waarop eiser zijn vordering op haar heeft gebaseerd. In dat kader wordt tevens gerefereerd aan HR 05-06-2009, LJN BH 2815, waaruit onder meer naar voren kwam dat privaatrechtelijke regelgeving niet beslissend is voor de invulling van een privaatrechtelijke zorgplicht.

98.
Als eiser dan toch een overdadige rentevergoeding – gedaagdes ‘free lunch’ – moet betalen, dan doet hij dat liever aan goed doel. Herhaling: de van een wis faillissement geredde, feitelijk failliete gedaagde moet eiser uitleggen, op basis van welk procedé en welke wetsartikelen, zij uiteindelijk € 312.500, aansloeg, of mocht aanslaan in een digitale gegevensdrager, zonder onderliggende reserve (funding) voor een ‘gratis lunch’. Bij weten van eiser is namelijk geen wetsartikel die deze handelwijze sanctioneert en eiser hebben niet bereikt, berichten die maken dat NRC Handelsblad onzin heeft uitgekraamd; zie: http://vorige.nrc.nl/opinie/article2137162.ece/Toegang_tot_geld_is_geen_zaak_van_banken_alleen. Een eiser verontrustend en schokkend citaat uit dat artikel: ‘De grenzen worden door de banken zelf, samen met hun toezichthouder, bepaald. De verhouding tussen ‘geschapen geld’ en ‘geld in bezit’ werd in de loop van de afgelopen honderd jaar telkens verder uit balans gebracht. Het einde aan het creëren van luchtgeld is niet in zicht omdat dit proces door de gesloten club geleid wordt, en zich niet van buitenaf laat controleren’; http://www.youtube.com/watch?v=kh9PYtmVybU. Tegen dit aspect, is de ook onder punt 82 gememoreerde Rechtbank Oost-Brabant aangelopen en toch sluit dat feit beslist niet af, de weg naar het antwoord op de vraag, in hoeverre rentestipulatie – ‘free lunch’ – door banken, over uit het niets gecreëerd ‘luchtgeld’, de toets der rechterlijke kritiek kan doorstaan, welke vraag, naar de mening van eiser, ontkennend moet worden beantwoord.

99.
Daarnaast heeft gedaagde zich, op de hiervoor aangegeven wijze ongerechtvaardigd verrijkt (in de zin van artikel 6:212) met renterevenuen, ten nadele van eiser, door hem voorafgaande aan de sluiting van de overeenkomst van geldlening geen kond te doen, van de door haar, niet door enige gecodificeerde regel aan banden gelegde, gevoerde praktijk van geldcreatie uit het niets van het begin tot het einde. Meer concreet: de dientengevolge door eiser geleden schade, is een sinds 21-10-2010 door hem op te brengen rentevergoeding, die ruim ligt boven de door eiser voorgestelde, door hem aan gedaagde te betalen rentevergoeding van € 350,- per uur, exclusief Btw, welke vergoeding mede indachtig de hiervoor te berde gebrachte feitenconstellatie, als meer dan redelijk en billijk moet worden aangemerkt.

100.
Vanaf 21-10-2010 – datum contractsluiting -, beroept eiser zich jegens gedaagde ook op de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW; contractuele goeder trouw.

101.
Gedaagdes volgehouden zwijgen en/of desinformeren van eiser, zoals hiervoor beschreven, impliceert bovendien, een schending van hetgeen is bepaald in artikel 6:193a e.v. BW; de Wet oneerlijke handelspraktijken (Wet ohp, op basis van richtlijn 2005/29 EG). Gedaagdes gedrag kan worden gekenschetst als een ‘oneerlijke handelspraktijk’, die leidt tot een schadevergoedingsplicht. Dít is het kader: artikel 6:193a aanhef, lid 1 BW: ‘In deze afdeling wordt verstaan onder: a. consument: natuurlijk persoon (=eiser; PW) die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf’; artikel 6:193a lid 1, sub b. BW: ‘handelaar (=gedaagde of hij/zij die namens haar handelde; PW): natuurlijk persoon of rechtspersoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf of degene die ten behoeve van hem handelt’; artikel 6:193a lid 1, sub c BW: ‘product: goed (digitaal/giraal geld; vordering op naam; PW), elektriciteit daaronder begrepen, of dienst’ (geldcreatie volgens ‘procedé x’; PW) artikel 6:193a lid 1, sub d BW: ‘handelspraktijk: iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product (die dienst en dat goed; PW) aan consumenten’;
artikel 6:193b lid 1 BW juncto artikel 6:193b lid 2, sub b BW, wil zoveel zeggen als: een handelaar (=gedaagde; PW) handelt onrechtmatig jegens een consument (=eiser; PW) indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is en een handelspraktijk is oneerlijk als het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.
In het geval van eiser was er vóór, op en na 21-10-2010, op zijn minst sprake van weglaten van belangrijke of vitale kenmerken van het door gedaagde aangeboden product, hetgeen zich onder andere laat vertalen in een onredelijk hoge rentevergoeding – ‘free lunch’ -, over, althans vanwege een, op basis van ‘procedé x’, uit het niets gecreëerd geldbedrag, op basis van een eigen vermogen van 0 (nul), althans een eigen vermogen van rond de 3%, met al dan niet digitale balans ‘leveling’ of ‘clearing’ tussen gedaagde en de centrale bank, achteraf en/of reserveaccumulatie achteraf, zoals, nogmaals, is betoogd door onder anderen voormelde Alan R. Holmes – ‘In the real world, banks extend credit, creating deposits in the process , and look for the reserves later’ – en Paul Sheard; ‘Banks lend by simultaneously creating a loan asset and a deposit liability on their balance sheet. That is why it is called credit “creation”- credit is created literally out of thin air (or with the stroke of a keyboard). The loan is not created out of reserves. And the loan is not created out of deposits: Loans create deposits, not the other way around. Then the deposits need a certain amount of reserves to be held against them, and the central bank supplies them.’ Ook deze manier van zaken doen, als beschreven door Holmes en Sheard, had gedaagde eiser eerst mondeling en/of schriftelijk moeten voorhouden, al was het alleen maar vanwege het feit dat haar (eigen) personeel – eindelijk – weet wat zij doet en hoe zij het doet. In het geval van eiser was er ook op 21-10-2010 geen sprake van een ‘informed consent’ en wat was dat een zelfs door ‘gedaagdes ingezetenen’ onbegrepen handelspraktijk!

102.
In de op 23-12 en 30-12-2013 door TROS Radar uitgezonden televisieprogramma’s, getiteld: ‘De schuldvraag’, portretteerde onder anderen financieel geograaf prof. dr. E.R. Engelen het bankwezen, waartoe gedaagde behoort, als volgt: ‘Het zijn feitelijk wolven in schaapskleren geworden, want het is geïnternationaliseerd, het is sterk bonus gedreven geraakt. Het is…, het werkt met verkooptargets en je bent als consument, zonder dat je het het goed in de gaten hebt, eigenlijk niets anders dan een sucker, waar zoveel mogelijk geld uit gezogen moet worden. (…) Het heeft niets meer met de vraag te maken, kan ik deze cliënt, waarmee ik lange termijnrelatie mee heb, kan ik deze cliënt deze lening wel verstrekken, gegeven het risico dat hij of zij risico’s tegen het lijf kan lopen, waar hij of zij op dit moment nog geen weet van heeft. Moet ik mijn cliënt niet tegen hemzelf of haarzelf in bescherming nemen. Die zorgplicht is volkomen uit het raam gekieperd’. Eiser is het met deze stellingname volkomen eens; zie http://www.trosradar.nl/sites/radarextra/uitzending/ en onder andere hetgeen hiervoor is vermeld onder punt 101.
103.
Nogmaals, gedaagde kan zich (niet langer) met goed fatsoen verbergen achter vermeende essentiële wetenschap van eiser, indachtig de (door eiser aangetoonde) door haar (eigen) personeel en namens DNB gereden ‘scheve schaatsen’, naar aanleiding van door eiser gestelde concrete vragen, alias tentoongespreide non-wetenschap van gedaagdes product dat zij op 21-10-2010 heeft verkocht aan eiser. Kennelijk, althans mogelijk was een deel van gedaagdes personeel ook in ‘diepe rust’ tijdens de economie les, althans tijdens de economie les die betrekking had op geldschepping door (commerciële) banken, alias geldcreatie uit het niets, was er sprake van integrale klassikale anesthesie en/of amnesie, althans non-perceptie – N2O uit het scheikundelokaal?! –, al dan niet als gevolg van totale desinteresse. Als gedaagde meent dat het binnen voormeld kader, niet schort(te) aan kennis bij het personeel van gedaagde, dan moet zij maar aangeven, hoe zij het telefonisch optreden van haar (eigen) personeel kwalificeert. Eiser – hij is een leek, met voortgeschreden inzicht – geeft dat optreden nu een dikke onvoldoende, terwijl ook hij in 2010 van toeten noch blazen wist. Hoe dan ook, het gaat erom dat de gemiddelde consument, in casu eiser, door de misleidende handelspraktijk van gedaagde een onjuist beeld had kunnen krijgen en daardoor tot de aanschaf van een product of dienst had kunnen overgaan die hij (mogelijk) anders niet had aangeschaft. Dit laatste is een belangrijke en cruciale constatering. In zijn naaste vrienden- en familiekring is eiser nog niemand tegen gekomen, die (ten volle) begrijpt wat de portee is van het in de economieboeken aangehaalde principe ‘geldschepping door wederzijdse schuldaanvaarding’, althans woorden van die strekking. In die kring wordt gesproken over het ‘drukken van bankbiljetten’, ‘slaan van munten’, ‘uitlenen van spaargeld’ of ‘uitlenen van geld dat van een ander geleend is’, maar van het ‘aanslaan van een €-teken, met daarachter een getal’ (geldschepping uit het niets), werd geen gewag gemaakt – wel gelach – en tja, bij gedaagde en DNB weten ze het ook (nog) niet, althans nog niet helemaal; zie ook punt 101.

104.
Voorts heeft gedaagde ook op 21-10-2010 geschonden, hetgeen is bepaald in artikel 4:20 Wft, welk artikel luidt: ‘Voorafgaand aan het adviseren, het verlenen van een beleggingsdienst, het verlenen van een nevendienst of de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product eisers met een recht van hypotheek bezwaarde lening!; PW) niet zijnde een financieel instrument verstrekt een beleggingsonderneming of financiële dienstverlener de consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, de cliënt informatie voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van die dienst of dat product. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in de vorige volzin bedoelde informatie. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de informatie die wordt verschaft met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 4:28, eerste en tweede lid, bedoelde rechten.’ Zo had gedaagde eiser er op zijn minst van op de hoogte moeten stellen, dat zij zelf geen geld of valuta had, dat er volgens ‘procedé x’ – en ‘dienst’ – een, in deze procedure nog nader door gedaagde te omschreven andere ‘dienst’ – geld (valuta) uit het niets zou worden gecreëerd, welk geld (valuta), op enig moment, op basis van ‘wettelijke(?!) sanctionering (?!) ‘y’ geconverteerd zou worden naar, of genaamd zou zijn ‘giraal geld’ – een vordering op naam; een goed -, met integrale nadere explicatie daarvan aan eiser, ter fine van diens adequate beoordeling, als bedoeld in artikel 4:20 Wft juncto artikel 6:193a e.v. BW juncto andere, hiervoor aangehaalde wetsartikelen. O ja, not to forget the ‘free lunch’…

105.
Ter nadere onderbouwing van de onder de punten 91 tot en met 105 aangehaalde (rechts)gronden, wenst eiser hierna de volgende punten – rechtsgronden, tevens feitelijkheden – over het voetlicht te brengen, uitdrukkelijk zonder zich daarbij te willen beroepen op vernietiging of ontbinding van de tussen eiser en gedaagde bestaande overeenkomst van geldlening.

106.
Gedaagde heeft bedrog gepleegd bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening met eiser, op basis van de hiervoor aangehaalde gronden. Eiser is van mening dat gedaagde hem destijds willens en wetens in dwaling heeft gebracht. Gedaagde heeft opzettelijk voor eiser relevante, hiervoor vermelde informatie – inhoud van de dienst (‘procedé x’) makelij van het product – geld dat wordt aangeslagen in een computer en vervolgens verwordt tot een goed, of een vordering op naam – achtergehouden, waardoor eiser, in het licht van de hem onthouden wetenschap rondom voormelde dienst en voormeld product -, met gedaagde heeft gecontracteerd, onder voor hem ongunstige voorwaarden, waaronder this ‘free lunch’, hetgeen oplevert bedrog (artikel 3:44 lid 3 BW). De strafrechtelijke variant van onder andere civielrechtelijk bedrog is artikel 326 Sr. (oplichting).

107.
Tevens is er, op basis van de hiervoor door eiser aangehaalde redenen, voor, ten tijde en na de contractsluiting (op 21-10-2010), onmiskenbaar sprake geweest van eiser benadelend misbruik van omstandigheden, welk misbruik gedaagde kan worden aangerekend (artikel 3:44 lid 4 BW); ‘free lunch!’

108.
Bovendien heeft eiser gedwaald ten tijde van het aangaan van de leenovereenkomst met gedaagde (artikel 6:228 BW). Immers, ook na het sluiten van de overeenkomst van lening, heeft gedaagde, die nog steeds geniet van haar ‘free lunch’, voor eiser essentiële informatie achtergehouden, waarvan ook haar personeel kennelijk nog steeds niet op de hoogte is, tenzij er zijdens gedaagde sprake is van persisterend toneelspel. Daarbij dient al hetgeen hiervoor te berde is gebracht tevens als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

109.
Op voormelde feiten en rechtsgronden, rust ook de eis tot vergoeding van de vanaf 21-10-2013 (tot heden) door gedaagde veroorzaakte ‘sneaky low pressure 1,01388888 (bar) turbo schade’, zoals omschreven onder punt 46; schade vanwege renteberekening op basis van breuk 365/360.

SCHADE

110.
Eiser heeft tot op heden aan zijn vermeende betalingsverplichting, inclusief ‘free lunch’, jegens gedaagde voldaan, zonder ‘rillen in het wegdek’. Overigens is eiser zeker niet in de 1e plaats te doen om het geld (valuta), laat staan digitaal geld uit het niets (op basis van ‘procedé x’. Op zichzelf beschouwd heeft eiser geen moeite met een betaalverplichting, zolang er maar open kaart wordt gespeeld. Gedaagde heeft verzuimd zulks te doen. Wat eiser betreft kan en mag het niet zo zijn, dat gedaagde kan wegkomen met haar, ook moreel verwerpelijke manier van zaken doen, namelijk ook (mede) onder de paraplu van de Staat der Nederlanden en de belastingbetaler, op een wijze die minimaal grenst aan valsmunterij, digitaal geld creëren uit het niets en daarover ook nog eens winst, in de vorm van een meer dan kostendekkende rente – ‘free lunch’ – te verlangen van burgers/belastingbetalers (ook eiser!), of van een ander bedrijf dan het bedrijf van gedaagde, terwijl deze entiteiten daar (wel) wezenlijke arbeid en/of wezenlijk kapitaal (tastbaar bezit/eigendom) tegenover moe(s)ten stellen. Er valt niets voor te zeggen gedaagde nog langer het genoegen of voordeel te gunnen van de praktijk als het voortbrengen van geld uit het niets – ook zonder (afgeleid) kredietrisico -, waarover ook nog eens rente moet worden. Gelieve in dat kader er eens op na te slaan http://vorige.nrc.nl/opinie/article2137162.ece/Toegang_tot_geld_is_geen_zaak_van_banken_alleen.

111.
De schade op basis van de door gedaagde toegepaste renteberekening, op basis van de breuk (factor) 365/360 (zie ook punten 46 en 109), bedraagt ultimo december 2013 de somma van € 250,-.

112.
Indachtig de door hem gecreëerde feitelijke en juridische basis, vordert eiser van gedaagde: een gemitigeerde schadevergoeding, welke aanzienlijk minder is dan de aanvankelijk voor ogen staande redelijke en billijke (netto) schadevergoeding ad € 7.750,- (te veel betaalde hypotheekrente tot januari 2014). Aangezien ‘de herder in denial’ (DNB) van gedaagde aangeeft dat we goud niet meer nodig hebben als dekking, mede omdat onze bankbiljetten schoon zijn en hun waarde behouden (zie – overigens lijkt dat op een onrechtmatige overheidsdaad –, neemt eiser, met een beroep op artikel 6:103 BW, in deze zaak genoegen met een hem toekomende gemitigeerde schadevergoeding, in de vorm van een mini goudbaar, equivalent aan € 2.050,- (zegge: tweeduizendenvijftig euro), welke schade eiser, door toedoen van gedaagde, onder meer heeft geleden vanaf het (een) moment vóór het sluiten van de overeenkomst van geldlening (op 21-10-2010) tot op heden, zonder dat eiser daarbij afstand doet van welke hem (later) toekomende rechten en weren dan ook.

114.
Voormelde, eerst aan eiser over te dragen schadevergoeding, zal met door hem aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gedoneerd aan Staatsbosheer en/of een door haar ondersteund project of stichting en/of een ander beter en aanzienlijk fatsoenlijker doel dan een gebleken non-onderneming als gedaagde, hoewel eiser, ook wat dat betreft zich alle rechten en weren voorbehoudt, al was het alleen maar om niet tegen de muur van een eventuele, door gedaagde opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer aan te lopen. Als eiser dan toch ‘voor de kat zijn viool’ moet betalen (en werken!) op basis een doortrapte geldcreatietruc van een bank, die geen bank, althans een non-bedrijf is, laat deze ‘voor de kat zijn viool betaling’ dan maar ten goede komen aan een goed, gezond en wel levensvatbaar doel (http://en.wikipedia.org/wiki/Zombie_bank).

115.
Eiser vraagt tevens om vergoeding van de proceskosten, waaronder het door hem te betalen griffierecht alsmede vergoeding van de nakosten.

I REST MY CASE

116.
Ook van Patrick Steensma heeft eiser het nodige opgestoken. Graag brengt laatstgenoemde diens pennenvruchten onder de aandacht; vide ; Steensma: ‘De wijze van geldscheppen van deze banken (het zgn. `fractionalizen´) brengt een onterechte, onrechtvaardige en onnodige er aan vast geplakte schuld en rente in het geldsysteem. Dit valse en malafide geldscheppings-procedé brengt zeer vergaande irreële en virtuele waarde-grondslagen in het systeem en draineert welvaart weg uit de economie naar deze banken en naar andere hierdoor in staat gestelde misbruikmakers. Het belastingstelsel heeft er ook zijn te hoge en zwaar disproprotionele tarieven door gekregen. Hieronder gaan wij steeds meer gebukt. Dit hoeft niet: het geldscheppen en regelen van de waarde van het geld kan ook anders en op een gezonde grondslag.’ (bron: . Ondertussen moet ook eiser het doen met tenenkrommende berichten, zoals een ontslagvergoeding van bijna 9 ton, welke vergoeding in conditio sine qua non verband staat met binnen organisatorisch verband gepleegde fraude. Het bankwezen overspeelt keer op keer haar hand, totdat het volk het recht in eigen hand neemt. In ieder geval lijkt er sprake te zijn van een ‘duidelijke tendens’; http://www.nujij.nl/economie/ontslagen-rabobestuurder-krijgt-9-ton-mee.26630882.lynkx.

117.
Eiser refereert aan het namens de organisatie We Are Change Rotterdam afgenomen interview, bij de hiervoor vermelde financieel geograaf, professor Engelen; http://www.youtube.com/watch?v=fmiTPa-OzZE. Van laatstgenoemde, noch van vele andere in deze dagvaarding aangehaalde personen, staat geenszins vast dat zij zich met de inhoud daarvan kunnen verenigen. Ieder zijn of haar meug. Wat daar verder ook van zij, naar de menig van eiser legt professor Engelen in dat interview de vinger op een zere plek, in dier voege dat de stem en de belangen van een select gezelschap dat is gelieerd aan, en belangen heeft in een grootbedrijf, op essentiële punten ten onrechte voorbij gaan aan het belang van het overgrote, althans een groot deel van de samenleving. Dat noemt eiser het zoveelste failliet van de democratie, ten faveure van de corpocratie. Anders geformuleerd: zodra blijkt, dat de stem of het belang van een bedrijf – bijvoorbeeld gedaagde -, letterlijk en figuurlijk een beslag legt op een groot deel van de samenleving, althans een groot deel daarvan, dan kan en mag dat bedrijf daar niet zonder meer mee weg komen. Nader geconcretiseerd betekent zulks, dat gedaagde – een ge-ble-ken volks-/staatsgesponsord non-bedrijf; Henry Ford: ‘een armzalige soort organisatie’ -, dat nog steeds een financiële wissel trekt op de Nederlandse samenleving, het zich niet (meer) kan verwaardigen om incentives te verlangen, in de vorm van bonussen, dividenden en aandeelhouderswinsten. Dit om de doodeenvoudige reden, dat zij nota bene door het volk – ons; wij allemaal – uit de brand is geholpen en daarbij nog steeds ten faveure van haarzelf/haar aandeelhouders, kan teren op artikel 1:1 Wft, een geld-/renteverdienmodel op basis van nota bene staatsgeld (lees ook: ons geld, onze euro), dat ook door gedaagde als krediet – geld uit het niets – wordt geschapen. Een en ander staat nog los van doornen in het oog als autocratische/discriminatoire rechten, zoals een (bestaand!) recht, dat een bedrijf als gedaagde (lees ook: haar aandeelhouders) de mogelijkheid biedt opgelegde (fraude)boetes fiscaal te kunnen aftrekken, in tegenstelling tot andere entiteiten – burgers/bedrijven -, voor wie geen enkele boete aftrekbaar is. In het feit, dat een door de Nederlandse samenleving geredde gedaagde, op de vruchtbare akker van diezelfde Nederlandse samenleving, de grote broek kan en mag blijven aantrekken, schuilt eveneens niet de minste redelijkheid en billijkheid. De aandeelhouders van gedaagde vullen hun zakken (in)direct met ons belastinggeld, of anders geformuleerd: the Dutch people have to be the stakeholders of the defendant (gedaagde; PW), like her stakeholders, in plaats van zich op dubieuze voorspraak van een historicus, bij haar en voor haar nog dieper in de schulden te steken, waarvan akte!; http://www.youtube.com/watch?v=1gSCEDfhcxc.

18.
Mede op basis van een, naar de mening van eiser, ook door een commerciële bank als gedaagde, uitgehold en misbruikt artikel 1:1 Wft, is het haar helaas tot op de dag van vandaag, gegeven om geld (valuta) te creëren, door middel van het aanslaan van een €-teken en een getal daarachter in een computer. Een ander woord daarvoor is geldcreatie uit het niets en die praktijk is ‘very old school’, getuige ook de oprichtingsakte van de Bank of Engeland, de pendant van de DNB-ECB; Bank of England charter (1694): ‘The bank hath benefit on the interest on all monies which it creates out of nothing.’ Kortom, op basis van deze praktijk, kan een commerciële bank (private bank) als gedaagde, geld dat zij zelf beslist niet heeft, maar door middel van aanslagen op een toetsenbord creëert – vooruit dan: laat creëren -, uitlenen aan anderen. Over dat uit het niets gecreëerde geld, vraagt een commerciële bank rente (geld/valuta), ziedaar het doortrapte verdienmodel, want deze rente – ook geld – , over geld dat er eerst niet was, is tevens winst voor de commerciële bank en haar aandeelhouders. De commerciële bank verwacht dat de geldlener, tegenover dat door haar zonder moeite uit het niets gecreëerde geld, wezenlijke waarde in de vorm van arbeid en/of kapitaal (eigendom) stelt. In het (regelmatig) voorkomende geval, dat een geldlener door onmacht, bijvoorbeeld ziekte of werkloosheid, niet in staat is het geleende, uit het niets gecreëerde bedrag met rente terug te betalen, op basis van zijn arbeid en/of kapitaal, ook wel geïnstitutionaliseerde slavernij genoemd, kan de commerciële bank hem (nog steeds!) beroven van zijn kapitaal en/of arbeid en alle bijkomende kosten en rente tot in langste der jaren opeisen van de geldlener. Met de kennis van nu, noemt eiser zulks niet minder dan een uit de hand gelopen schelmenstreek, alias het – slechts – aanslaan van een geldsom in een computer, waar een ander wel iets van wezenlijke waarde en meer(!) tegenover moet stellen. Vraag: waarom? Antwoord: sla punt 1 tot en met 118 van deze dagvaarding er nog maar eens op na, althans besef dan tenminste dat ook artikel 1:1 Wft de neerslag vormt van geïnstitutionaliseerde horigheid; http://nl.wikipedia.org/wiki/Horigheid. I rest my case…

BEWIJS
Onder protest daartoe gehouden te zijn, biedt eiser aan zijn stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door middel van getuigen, waaronder hijzelf, Ad Broere en Anthony Michgels alsmede geschriften.

CONCLUSIE VAN REPLIEK/CONCLUSIE VAN DUPLIEK
Daarbij verzoekt eiser U edelachtbare, liever niet te entameren een comparitie van partijen, doch in plaats daarvan eiser de gelegenheid te geven tot het nemen van een conclusie van repliek, waarop gedaagde eiser van dupliek kan dienen.

 

MET CONCLUSIE:
dat het U edelachtbare heer/vrouwe kantonrechter in de rechtbank, moge behagen om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde, op basis van één of meer van de door eiser aangehaalde rechtsgronden, dan wel op andere rechtsgronden, te veroordelen tot betaling van ook niet door gedaagde uit het niets te creëren fysiek goud – een mini goudbaar -, equivalent aan € 2.050,- (zegge: tweeduizendenvijftig euro), op vonnisdatum, althans gedaagde te veroordelen tot betaling van € 2.050,- (zegge: tweeduizendenvijftig euro), zijnde de gemitigeerde schadevergoeding als hiervoor bedoeld;

2. gedaagde niet te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente;

3. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder het door eiser te betalen griffierecht alsmede vergoeding van de nakosten.