Een munt naast de euro?

..en hoe werkt het?

 

Als mensen en / of ondernemingen onderling met elkaar afspreken een
andere munt dan de gangbare euro als betaalmiddel te accepteren, dan
ontstaat een complementaire munt. Deze munt bestaat dus naast de euro.
Vandaar het woord complementair, dat aanvullend betekent.

 

Het klinkt eenvoudig dat mensen met elkaar kunnen afspreken een
andere munt te accepteren. In de praktijk is het niet zo simpel. Geld is
voor ons sinds 1 januari 2002 de euro. Als in plaats daarvan de
“Amsterdam” wordt aangeboden als betaalmiddel, dan kijken verreweg de
meeste mensen daar naar als “Mickey Mouse” of “Monopoly” geld.

 

Geld is in onze beleving de euro (€) die door de Europese Centrale
Bank (ECB) in circulatie wordt gebracht. De euro is de munt geworden die
wij gebruiken, omdat wij dit collectief als betaalmiddel hebben geaccepteerd.
Als een groot aantal Nederlanders in 2002 ondanks de introductie van de
euro de betalingen in guldens zouden zijn blijven doen, dan was er een
situatie zijn ontstaan waarbij de gulden de rol van complementaire munt
was gaan spelen naast de euro.

 

Stel nu dat een groot aantal midden- kleinbedrijven, bijvoorbeeld
150.000 MKB ondernemingen, op 1 januari 2002 had afgesproken, dat de
onderlinge betalingen zoveel mogelijk in guldens zou worden
gedaan, omdat er te weinig euro’s beschikbaar waren om de zaken op een
normale manier doorgang te laten vinden.

Op welke manier zou dit kunnen zijn gerealiseerd? Daarvoor was een
coöperatieve organisatie nodig, die als Guldensbank functioneert. Deze
bank zou er voor hebben gezorgd dat de gulden in circulatie bleef.
Coöperatief betekent overigens, dat bedrijven deelnemen op basis van
lidmaatschap.

Het probleem hierbij is echter dat de Europese Centrale Bank – en in
het verlengde hiervan De Nederlandse Bank – de gulden uit de circulatie
haalde. Het papiergeld en de munten door omwisseling en het digitale
geld door boekhoudkundig/administratieve omrekening van guldens naar
euro”s. Wat had de Guldensbank kunnen doen?

De euro”s die bij deze bank door een klant op een rekening werden
gezet, weer geheel of gedeeltelijk terugomzetten in guldens. Tegen een
koers van 1 Euro = 1 Gulden.

En hoe dan verder?

Een voorbeeld (1 Euro = 1 Gulden):

Blauw BV, een bouwonderneming houdt een tegoed aan van € 525.000 op de Euro rekening bij zijn bank (niet de Guldensbank).

Blauw BV krijgt een opdracht om onroerend goed te bouwen waarvan de bouwkosten € 1.000.000 zijn.

De bank van Blauw is om haar ‘moverende’ reden niet bereid dit bedrijf krediet te verlenen voor de bouw.

Voor de bouw schakelt Blauw drie onderaannemers in, waaraan € 250.000
moet worden betaald. Aan de leverancier van bouwmaterialen € 350.000.
De onderaannemers en bouwmaterialen leverancier zijn evenals Blauw BV
aangesloten bij de Guldensbank.

Bij de Guldensbank heeft Blauw een kredietlimiet van 500.000 gulden.

Blauw betaalt de onderaannemers via de gewone bankrekening € 125.000
en fl. 125.000 via de Guldensbank. Meer dan dit bedrag accepteren de
onderaannemers niet als guldenbetaling vanwege de verdere
bestedingsmogelijkheden. De bouwmaterialenhandel accepteert het hele
bedrag in guldens.

Het resterende bedrag van de bouwkosten bestaat grotendeels uit
loonkosten, die door Blauw BV in Euro’s wordt uitbetaald van het tegoed
bij zijn (gewone) bank.

Op deze manier kan het bouwproject met de essentiële ondersteuning van de Guldensbank worden gerealiseerd.

Uit dit voorbeeld blijkt dat de Gulden in werkelijkheid complementair
is op de Euro. Naarmate er meer Euro’s beschikbaar zijn is de noodzaak
van het gebruik van Guldens minder groot. Het is daarom belangrijk
voor de continuiteit van de Guldensbank, dat de leden niet alleen
tegoeden aanhouden in guldens maar ook in euro’s

Hoe krapper de liquiditeit in Euro’s is, hoe belangrijker de functie van de complementaire munt wordt!

Het is duidelijk dat de werking van de Guldensbank zich uitstrekt tot de grens van Nederland.

Een Duitse leverancier van bouwmaterialen zou vanzelfsprekend geen
guldens accepteren, tenzij dat bedrijf veel inkopen in Nederland zou
doen bij bedrijven die aangesloten zijn op de Guldensbank.

 

Naarmate er meer bedrijven lid zijn van de Coöperatieve Guldensbank wordt de kracht van deze organisatie vanzelfsprekend groter,
omdat de leden meer onderlinge bestedingsmogelijkheden krijgen met de
gulden. Als dan ook nog de omloopsnelheid van de gulden zou worden
gestimuleerd door geen rentevergoeding te geven op tegoeden die de
leden/klanten aanhouden bij de Guldensbank, dan zou dit een aanzienlijke
stimulans geven aan de economie van Nederland. Bedrijven zullen hun
leveranciers binnen Nederland zoeken en zijn ook meer geneigd om de
gulden te laten “rollen”. Een impuls aan de Nederlandse economie
betekent tevens een stimulans van de werkgelegenheid in Nederland, dus
voor de koopkracht.

 

In 2002 was de economische situatie er niet naar, dat serieus moest
worden nagedacht over een oplossing voor een krapte aan Euro’s.
Bovendien heeft Nederland een open economie, dus het Nederlandse
bedrijfsleven exporteert en importeert veel. Het is daarom logisch dat
bij een normale gang van zaken grotendeels met euro”s wordt
gehandeld en in mindere mate met guldens. In deze crisistijd ligt de
situatie anders. Steeds meer bedrijven, vooral de kleinere, merken dat
het moeilijker wordt om aan voldoende Euro’s te komen voor de
financiering van investeringen, voorraden en vorderingen.

Wat is het nut van een complementaire munt?

De Euro is een weerspiegeling van de economische kwaliteit van de volgende Europese landen;

 

  • België (vroeger Belgische frank)
  • Duitsland (vroeger Duitse mark)
  • Finland (vroeger Finse mark)
  • Frankrijk (vroeger Franse frank)
  • Griekenland (vroeger Griekse drachme)
  • Ierland (vroeger Ierse pond)
  • Italië (vroeger Italiaanse lire)
  • Luxemburg (vroeger Luxemburgse frank)
  • Nederland (vroeger Nederlandse gulden)
  • Oostenrijk (vroeger Oostenrijkse schilling)
  • Portugal (vroeger Portugese escudo)
  • Spanje (vroeger Spaanse peseta)
  • Slovenië (vroeger Sloveense tolar)
  • Cyprus (vroeger Cypriotische pond)
  • Malta (vroeger Maltese Lire)

 

 

In deze rij komen landen voor waarvan we inmiddels weten dat de
economische situatie slecht is (Griekenland, Italië, Spanje Portugal).
Deze zwakke landen moeten worden meegesleept door de (vooralsnog)
sterkere. Als er meer eurolanden in moeilijkheden gaan komen, dan heeft
dat via de euro invloed op de Nederlandse economie. Door de euro is het
economische lot van de deelnemende landen dus nauw met elkaar verbonden.
Bij de introductie van de euro verkeerde men nog in de veronderstelling
dat de euro zou bijdragen aan de economische welvaart van de
deelnemende landen. Door de veranderde situatie is de euro meer een
risico factor dan een versterking geworden.

STABILISEREN EURO IS GROTE UITDAGING VOOR EU, ZEGT DUITSE EUROCOMMISSARIS OETTINGER.

Volkskrant 8 februari 2010

PETER DE WAARD AMSTERDAM

Het gevaar bestaat dat de euro een “instabiele” munteenheid wordt. Het
stabiliseren van de euro, te midden van de torenhoge schuldenlasten van
een aantal Europese landen, is een van de grootste uitdagingen voor de
Europese Unie.

Dat heeft de Duitse eurocommissaris Gunther Oettinger zaterdag gezegd
in een interview met de Duitse regionale krant Reutlinger
General-Anzeiger.

“De euro loopt het gevaar instabiel te worden. Kijk naar Griekenland,
Ierland en mogelijk binnenkort Spanje, Portugal, Letland en Italië”,
aldus Oettinger. De waarde van de euro staat al weken onder druk door de
zich opeenstapelende financiële problemen van deze landen. Vrijdag
zakte de munt tot 1,3682 dollar, het laagste niveau in meer dan acht
maanden tijd.

 

Als de gulden er nog zou zijn op de hierboven geschetste wijze, dan
zou deze munt een stabiliserend effect hebben op de Nederlandse
economie. Want de gulden circuleert in een gesloten circuit! En de
risico”s zijn niet groter dan die welke in dat circuit aanwezig zijn.
Men zou kunnen zeggen dat het een bypass is op de haperende euro
bloedsomloop. Het ligt ook voor de hand dat in tijden van crisis de rol
van de gulden groter is en in periodes van economische welvaart kleiner.

 

Een ander groot voordeel is, dat de hoeveelheid guldens in omloop
wordt bepaald door het collectief van de deelnemende bedrijven en niet
door financiële autoriteiten die op afstand de omvang van de
geldhoeveelheid en op basis van politiek-economische strategieën sturen.
Daardoor worden de deelnemende bedrijven niet belemmerd door de
handelwijze van banken die de kredietverlening afremmen in een periode
dat ondernemingen juist door zwaar weer zouden moeten worden geloodst.

In 2002 was de financieel-economische situatie – schijnbaar –
gunstiger. Het belang van een complementaire munt werd op dat moment
niet onderkend. Zelfs in deze crisisperiode zijn er nog relatief weinig
mensen die de positieve mogelijkheden ervan inzien. Toch is bewezen dat
een tweede munt naast de officiële een gunstige invloed heeft op de
economie. Dit blijkt uit het succesverhaal van de WIR.

Is een complementaire munt realistisch?

 

Ja, het werkt meer dan 75 jaar in Zwitserland. In 1934 werd de WIR
Bank opgericht in Zurich, in een periode dat duizenden midden- en
kleinbedrijven worstelden met de gevolgen van de wereldwijde economische
depressie. Het was toen zeer moeilijk om aan geld te komen, omdat de
beurzen gecrasht waren, banken failliet gingen en de mensen die nog wel
geld hadden niet bereid waren om dit te investeren.

 

De aan het nieuwe muntsysteem deelnemende bedrijven gingen ertoe over
om elkaar in WIR te betalen, gestimuleerd door het totale gebrek aan
middelen in de officiële munteenheid. Het systeem was dermate succesvol
dat het zich snel over heel Zwitserland verspreidde. Al spoedig kreeg de
WIR organisatie een officiële bankstatus toegekend door de nationale
autoriteit.

 

Door deze bankstatus kon de bank WIR leningen verstrekken aan zijn
leden. De reserve op basis waarvan de leningen werd verstrekt bestond
uit kasdeposito”s gestort door de leden.

De WIR heeft in de loop van de 75 jaar van zijn bestaan een
stabiliserend effect gehad op het monetaire systeem in tijden van
liquiditeitkrapte.

 

Momenteel zijn er 60.000 deelnemers aan het WIR systeem. In
Zwitserland zijn 300.000 midden- en kleinbedrijven. De deelnamegraad is
dus 20%.

De combinatie van gedeeltelijke betaling in Zwitserse franken en voor
het overige deel in WIR blijkt goed te werken. De eigenaar van een
meubelfabriek zegt hierover: “Wij boeken meer omzet van kleinere
bedrijven door onze deelname aan het WIR systeem” “Wij gebruiken de WIR
die door ons ontvangen wordt op onze beurt weer om de garage die onze
transportauto”s onderhoudt te betalen”. Verder zegt deze ondernemer:
“Voor WIR deposito”s ontvangen wij geen rente van de bank, het is daarom
zaak om het zoveel mogelijk te laten circuleren”.

De WIR is een digitale munt. Dit betekent dat er geen papiergeld in
omloop is. De betalingen gaan door middel van cheques, creditcards of
digitale overboeking. Bij een betaling in cheques wordt het bedrag
gesteld op naam van de ontvanger. Als de cheque bij de WIR Bank wordt
gedeponeerd dan wordt het bijgeschreven bij het tegoed van de ontvanger
ervan, onder inhouding van 1% administratiekosten. Hiermee onderhoudt de
WIR Bank het betalingsverkeer.

 

In de afgelopen jaren is de WIR bank zich ook gaan positioneren als
een retailbank, die hypotheken in Zwitserse franken en WIR verleent en
spaarrekeningen opent voor particulieren.

Hierdoor is het ook voor particulieren mogelijk geworden om gebruik
te maken van de WIR. Het is daarom heel goed mogelijk dat u “Wij
accepteren WIR” stickers aantreft in een schoenenzaak, boekwinkel of
apotheek in bijvoorbeeld Rheinfelden in Zwitserland.

Ook kan bijvoorbeeld in een restaurant op een WIR creditcard zowel in
Zwitserse Franken als in WIR worden betaald. Bijvoorbeeld 75% Zwitserse
Franken en 25% WIR.

Het grote voordeel van deze uitbreiding is, dat de aan het WIR
systeem deelnemende bedrijven ook hun werknemers (gedeeltelijk) in WIR
kunnen uitbetalen.

 

Conclusie

 

Een complementair muntsysteem is geen fantasie. Het is al 75 jaar werkelijkheid in Zwitserland .
En het blijkt een gunstige invloed te hebben op de economie,
omzetverhogend te werken voor de aangesloten bedrijven en gunstig te
zijn voor de werkgelegenheid.

Als er 50.000 MKB ondernemers zijn die ieder een bedrag van € 5.000
storten in het ledenkapitaal van een nieuw op te richten coöperatieve
mkb bank. Waardoor de bank de reserve heeft op basis waarvan leningen
kunnen worden verstrekt aan leden die een financiering nodig hebben voor
hun investering. En als deze 50.000 leden naar het voorbeeld van de
Zwitsers elkaar (gedeeltelijk) in de nieuwe complementaire munt gaan
betalen. Wat zou dat een enorme positieve impuls geven aan de
Nederlandse economie!

En vanwege administratieve eenvoud is de omwisselingskoers van euro naar de complementaire munt 1:1.

 

 

© Ad Broere