Treurig, een ander woord valt er niet voor te bedenken. De vakbonden en werkgevers blijken niet in staat te zijn om de opvoering van het drama getiteld pensioenen te stoppen. Waarom eigenlijk niet?

Zou het te maken kunnen hebben met ‘boter op het hoofd’? De werkgevers, inclusief de overheid, hebben in de periode dat niemand zich druk maakte over de dekkingsgraad van de pensioenen behoorlijk gesjoemeld met het werkgeversdeel van de pensioenpremies. Door de werknemers er ook een grijpstuiver van mee te geven, hebben de werkgevers met instemming van de vakbonden jarenlang hun winsten gespekt ten koste van de pensioenreserves. Zoals gezegd, daarin deelden de werknemers een beetje doordat ook de lonen werden verhoogd. Een sigaartje uit eigen doos. Per saldo profiteerden de werkgevers en daardoor de aandeelhouders er het meeste van.

Toen de crisis uitbrak en de bomen niet tot in de hemel bleken te groeien sloeg de stemming om. Opeens was de dekkingsgraad een ‘hot item’ geworden. En werden er plots op instigatie van De Nederlandse Bank zeer voorzichtige prognoses gemaakt voor de toekomstige ontwikkeling van de reserves op basis van een boekhouders eigen behoudende rekenrente.

Vanaf 2009 werd een stop gezet op de indexatie van de pensioenen en vanaf 2016 is er zelfs sprake van een afname van de netto uitkering. Toch bedraagt de opgetelde pensioenreserve bij de fondsen en verzekeraars € 1,4 biljoen. Als dit bedrag zou worden verdeeld over de 7,5 miljoen Nederlandse huishoudens, dan zou elk gezin € 187.000 op de rekening gestort krijgen. Let wel, het gaat hier om de aanvullende pensioenen, dus bovenop de AOW.

Gemiddeld ontvangen volgens de Pensioenfederatie gepensioneerden die deelnemers zijn aan een van de fondsen € 6.000 aanvullend pensioen per jaar. Er zijn in 2016 3,1 miljoen pensioengerechtigden. Totaal wordt er in 2016 zo’n € 18 miljard aanvullend pensioen uitgekeerd en in 2040 zou dit bedrag –niet geïndexeerd- zijn opgelopen tot 28 miljard, omdat er dan 4,7 miljoen pensioengerechtigden zijn. Deze berekening is erg ruim, want niet alle pensioengerechtigden hebben recht op een aanvullend pensioen. Door ontbrekende informatie wordt er desondanks in dit artikel verondersteld dat alle pensioengerechtigden ook aanvullend pensioen ontvangen.

Ceder5

Zelfs op basis van deze –zeer- ruime schatting zou de reserve in 2016 -zonder dat er nog 1 euro bijkomt door premies of rendement- genoeg zijn voor zo’n 60 jaar uitkeringen. En als de Pensioenfederatie zich zou hebben vergist en de werkelijkheid is dat het gemiddelde pensioen € 10.000 zou zijn, dan zouden de pensioenen nog 35 jaar kunnen worden uitgekeerd. En dit ondanks alle gerommel met premies in de afgelopen decennia. Het lijkt erop dat werkgevers en vakbeweging zijn gefixeerd op een rekenmodel dat in het geheel niet aansluit bij de realiteit.
Het heeft er alle schijn van dat er een grote buffer zit tussen de uitkeringsverplichtingen van de fondsen en hun reserves. Hoe die buffer is ontstaan, wordt duidelijk door het volgende rekenvoorbeeld:

Een vrouw startte in 1995 als beleidsmedewerkster in een overheidsfunctie met een jaarsalaris van €35.000. In 2015 ging ze met pensioen, na exact 20 jaar in deze functie te hebben gewerkt.

Haar salaris steeg in de periode van 20 jaar met gemiddeld 2% per jaar.

Het werkgevers- en werknemersdeel van de premie was over de 20 jaar gemiddeld 17,8% over het pensioengevend salaris min de franchise.

Haar pensioen wordt opgebouwd op basis van de middelloonregeling en dat geeft haar vanaf haar 65e een aanvullend pensioen van € 10.548 per jaar.

De premies die op haar loon zijn ingehouden en die de werkgever eraan toevoegt worden gestort in de grote beleggingspot van het ABP.

Het ABP vermeldde met trots dat het gemiddelde rendement op de beleggingen over de periode 1995-2015 7% is geweest.

Door de groei van het ‘voor haar’ belegde vermogen is er eind 2015 nagenoeg voldoende kapitaal beschikbaar om haar tot 20 jaar na pensionering haar toegezegde pensioen uit te kunnen betalen, mits er niet wordt geïndexeerd.

Het kapitaal van ongeveer € 208.000 dat op 31 december 2015 beschikbaar is, verdampt echter niet in 1 jaar. Het wordt langzamerhand afgebouwd en totdat het weg is levert het vanzelfsprekend nog steeds rendement op.

Nu zegt De Nederlandse Bank dat dat rendement de komende decennia erg tegenvalt. Kennelijk zijn het goede glazen bol kijkers. Dus, vooruit, laten we dat rendement vanaf 2016 stellen op gemiddeld 2% per jaar.

Het aardige is, dat er zelfs dan nog geld over is, als de vrouw twintig jaar na haar pensionering keurig volgens de gemiddelde levensverwachting overlijdt. Het fonds heeft dan aan haar bijna €250.000 overgehouden.Ook bij een 2% rendement van het kapitaal in de afbouwfase is er ruimte voor een indexering van het pensioen van de vrouw van 2% per jaar. Er blijft dan wel wat minder over na haar overlijden, slechts € 138.000…, maar daar gaat het immers niet om.

Dit voorbeeld sluit beter aan bij de werkelijkheid dan de rekenmodellen van De Nederlandse Bank. Het is flauwekul om een sfeer te creëren van tekort en bezuiniging. Ik heb de fondsbestuurders al eerder uitgenodigd om aan te tonen dat ik ongelijk heb. Aan deze uitnodiging voeg ik De Nederlandse Bank en politiek Den Haag toe. Ontzenuw mijn berekening en redenering en ik houd verder mijn mond. Als jullie dat echter niet blijken te kunnen, wees dan zo groot om je ongelijk toe te geven en corrigeer de gemaakte fouten.

 

© Ad Broere, econoom

 

Ad Broere
webdesign by vincken.eu