25 september 2014 In juni 2014 had Ad Broere een mailcorrespondentie met Teunis Brosens van de ING Bank naar aanleiding van zijn publicatie de geldscheppingsparadox. Op 20 september spraken Teunis Brosens en Ad Broere beiden op het congres 'Geld voor de Toekomst' in Rotterdam, Erasmus Universiteit. Tijdens het congres kwam het helaas niet tot een discussie tussen Brosens en Broere. Daarom volgt hieronder de mailuitwisseling die waarschijnlijk nagenoeg de lijn van de discussie volgt -als deze had plaatsgevonden-.

 

Gvdt 0219 2014 09 20 13 38 19

Ad Broere op het congres Geld voor de Toekomst 20 september 2014 (foto Ramon van Jaarsveld)

 

Geachte heer/mevrouw,

Uw publicatie 'De Geldscheppingsparadox' is een te waarderen bijdrage aan de discussie over geldschepping en monetaire hervorming. U toont daarmee in elk geval aan dat u de discussie over dit belangrijke onderwerp niet uit de weg gaat.
Zonder in deze mail op de inhoud van uw publicatie in te gaan, mail ik u het artikel 'Repeat after me: Banks cannot and do not lend out reserves' van Paul Sheard, Chief Global Economist and Head of Global Economics and Research Standard & Poors.
Ik maak u graag attent op twee quotes uit dit rapport:

"Most importantly, banks cannot cause the amount of reserves at the central bank to fall by "lending them out" to customers. That possibility is not allowed for in the identity because bank lending does not enter into it." (p.6)
en:

"Banks don't lend out of deposits; nor do they lend out of reserves. They lend by creating deposits." (p.8)


Met vriendelijke groet,
Ad Broere, econoom

 

Geachte heer Broere,

Dank u voor uw positieve reactie.
Het rapport van S&P was mij inderdaad bekend. En met de citaten die u noemt kan ik het alleen maar eens zijn. Zoals ook in onze publicatie opgemerkt: het is uiteindelijk de centrale bank die de omvang van de totale bankreserves bepaalt. En ook het tweede citaat sluit aan bij wat we direct aan het begin van onze publicatie schrijven: “Banken zijn namelijk niet slechts bemiddelaars
tussen sparen en lenen. In werkelijkheid leidt het verstrekken van een lening door een bank tot het ontstaan van een deposito.”

Vriendelijke groet,
Teunis Brosens

 

Gvdt 0044 2014 09 20 09 18 47

Teunis Brosens op het congres Geld voor de Toekomst, 20 september 2014 (foto Ramon van Jaarsveld)

 


Geachte heer Brosens,


Bedankt voor uw prompte reactie op mijn mail. Het lijkt erop dat wij het eens zijn over het feit dat individuele banken gebonden zijn aan de eisen van de centrale bank vanwege wat u noemt de geldscheppingsparadox waardoor banken weliswaar 'uit het niets kunnen scheppen', maar tegelijkertijd geld moeten lenen. Toch zijn er verschillen tussen de visie zoals u die weergeeft in uw publicatie en die van ondergetekende. Ik ga daar in deze mail op in, in het vertrouwen dat wij tot een zinvolle discussie over dit moeilijke onderwerp kunnen komen.


U schrijft: "Deze versimpelde en abstracte uitleg is bron van veel onbegrip over hoe geldschepping nu echt in zijn werk gaat en wat de effecten ervan zijn. De werkelijkheid is genuanceerder." Naar mijn mening berust de verantwoordelijkheid voor de ontstane commotie primair bij de banken zelf. Banken zijn te lang niet transparant geweest over het geldscheppingsproces. Daardoor wordt de berichtgeving waarnaar u refereert in uw publicatie veelal verkeerd begrepen. Het is daarom zo belangrijk dat als een bank wel duidelijkheid wil geven over het geldscheppingsproces, dit op een wijze wordt gedaan die werkelijk duidelijkheid schept. En daaraan ontbreekt het mijns inziens in uw publicatie nog teveel.
Het komt er volgens u op neer dat de multiplier voor individuele banken wel opgaat. Paul Sheard beredeneert in "Repeat after me: banks cannot and do not "lend out reserves" echter dat onder normale omstandigheden de centrale bank de reserves aanvult als deze beneden de minimum grens zakken. Meerdere onderzoekers hebben geconstateerd dat banken eerst de lening en het deposito creëren en daarna de vereiste reserves op orde brengen. In uw publicatie laat u dat ook zien, maar het gaat niet op de manier zoals u dat voorstelt. 


In uw voorbeeld boekt bank A de verstrekte lening van 100 af van de reserves, die daarop op 0 uitkomen en moeten worden aangezuiverd. De werkelijkheid is, dat de lening van 100 op de activazijde wordt geboekt en het deposito ten gunste van de lener op de passivazijde. Als de ontvanger van het geld een rekening heeft bij bank B, dan wordt het bedrag door bank A gecrediteerd op de lopende rekening van deze bank bij de centrale bank. Op deze lopende rekening worden bij een grote bank als de ING enorme aantallen interbancaire transacties verrekend. Dagelijks vindt er een clearing plaats, die erin resulteert dat het saldo op de lopende rekening lager of hoger wordt. Nu zegt Sheard dat 'onder normale omstandigheden' de centrale bank achter de feiten aan loopt en de liquiditeit op het vereiste minimumniveau brengt als er een te laag saldo is ontstaan. Banken verstrekken elkaar 'onder normale omstandigheden' korte termijn leningen, want het tekort bij bank A is het overschot bij Bank B. Deze interbancaire leningen stremden bij het uitbreken van de bankencrisis, omdat het onderlinge vertrouwen was verdwenen. Vooral daardoor ontstond de vernietigende kettingreactie. In mijn boek 'Geld komt uit het niets' schrijf ik: "Banken zijn als gevolg van het geld-door-schuld scheppingsproces aan elkaar verknoopt. Het is te vergelijken met een carrousel." Dit wordt geïllustreerd door de verplichting aan andere banken op de ING Bank balans. Deze bedroeg per eind 2007 167 miljard euro en per ultimo 2013 27 miljard euro. U noemt bij de instrumenten om de liquiditeitsbuffers te versterken overigens niet het securitiseren van hypotheken. Toch is dit een belangrijk instrument, want eind 2013 was een bedrag van 209 miljard euro gesecuritiseerd door de Nederlandse MFI's (bron DNB).


In de periode tussen 1990 en 2008 is de kredietverlening door banken aan de private en de publieke sector enorm toegenomen; van 288 miljard euro in 1990 tot 1.337 miljard euro in 2008. Eind 2013 bedroeg de kredietverlening 1.266 miljard (bron DNB). Voor de periode 1990 - 2008 gaat niet op dat tegenover iedere geldschepping een zeer substantiële geldvernietiging staat, wel voor die na 2008. De grens aan de kredietverlening wordt naar mijn mening niet bepaald door de centrale bank maar door de commerciële banken. Het is de perceptie van risico bij de banken zelf die deze grens bepaalt. De U.S. M2 Money Multiplier (chart1, in Repeat after me: banks cannot and do not lend out reserves') illustreert dit duidelijk. De money multiplier gedefinieerd als de ratio M2 geldhoeveelheid : de bankreserves bij de centrale bank, stortte volledig in, in het eerste kwartaal van 2008, de banken werden terughoudend door het gepercipieerde risico, een houding die na 2008 niet is veranderd.
De vraag of commerciële banken afhankelijk zijn van de centrale bank kan niet eenduidig worden beantwoord. Onder 'normale omstandigheden' is dat niet het geval. In tijden van crisis wel, omdat dan de fundamentele kwetsbaarheid van banken naar voren komt. Die kwetsbaarheid zit in het 'monsterverbond' van de banken onderling, gebaseerd op een wankel vertrouwen en de absurd lage solvabiliteit van banken. Als ik in de tijd dat ik in de zakelijke kredietverlening voor de NMB werkte, met een solvabiliteit van minder dan 20% bij de kredietbeoordelaars kwam, dan werd er een dikke streep door de aanvraag gezet, tenzij er een vermogensversterkingskrediet kon worden geregeld, of dat er een participatiemaatschappij interesse had voor de onderneming. Dat de risico's in de kredietverlening niet in die mate zijn af te dekken dat verliezen beperkt blijven tot hooguit 1 - 2% van de portefeuille, is onder deze 'abnormale omstandigheden' niet realistisch gebleken. Ook de off-balance risico's door derivaten, zoals renteswaps en collateralised debt oblgations worden onderschat. De verliezen die uit renteswap contracten voortvloeien komen zoals het er nu naar uitziet voor tenminste een deel voor rekening van de banken en voor gesecuritiseerde hypotheken is veelal een terugkoopverklaring afgegeven.

Door het sturen op risico zijn banken niet geschikt om de economie uit het slop te halen. Onder de normale omstandigheden zijn er teveel risico's in huis gehaald, die zich wreken in deze crisistijd. Hierdoor worstelen banken sinds 2008 primair met het op orde brengen van hun eigen financiële positie en zijn ze niet in staat een substantiele bijdrage te leveren aan het economisch herstel. U schrijft het zelf kredietverlening heeft geldschepping tot gevolg en aflossing geldvernietiging. Dus als de kredietverlening stremt, dan remt ook de economie af. Dit dilemma is mijns inziens groter dan de geldscheppingsparadox.
Ik ben niet tegen banken, maar voor een andere rol en voor een ander verdienmodel. Ik ben voor scheiding van de geldschepping - en gelddistributiefunctie, zoals ook Martin Wolf voorstelt. Geldschepping zou mijns inziens moeten worden gedaan door een publiek instituut, dat onafhankelijk van -niet beïnvloed door- de politiek functioneert. Banken hebben alle kwaliteiten in huis om een effectieve distributie van het geld in de private sector, gericht op een duurzame samenleving te kunnen garanderen. Verder ben ik voor een rentevrije economie, hierover wil ik graag verder met u van gedachte wisselen. Banken kunnen hun verdienmodel wijzigen van geldgerelateerd naar uurgerelateerd. Ook hierover wil ik graag verder met u in gesprek.

Met vriendelijke groet,
Ad Broere
www.adbroere.nl

 

Beste heer Broere,

Hierbij een reactie op uw mail. U snijdt veel (interessante) punten aan en ik kan in het bestek van deze mail niet alles adresseren. Ik zal me zoveel mogelijk beperken tot de feiten en de interpretaties en conclusies die u of ik daaraan verbinden zoveel mogelijk terzijde laten, m.u.v. de eindconclusie.

Ik kan het met de uitleg van Sheard, zoals door u weergegeven, alleen maar eens zijn. Alleen op één punt niet: en dat is het idee dat een lening éérst tot een deposito leidt van de kredietnemer, en dat dit deposito vervolgens wordt gebruikt (bijv. wordt overgeschreven). Dit is tegelijk een belangrijk en onbeduidend punt.

Onbeduidend, omdat het in de verdere analyse van hoe geldschepping werkt, niet heel relevant is of dit in twee stappen gebeurt (zoals u stelt), of in één stap, zoals ik stel. Beide lezingen zijn compatibel met het verdere verhaal van overschrijven, impact op reserves en mogelijke interbancaire leenacties, waar wij het over eens zijn.

Belangrijk, omdat het volgens mij een van de oorzaken is van onbegrip. Het is nu eenmaal niet zo dat als ik een huis koop en daartoe een hypotheek afsluit, ik éérst geld op mijn rekening gestort krijg, dat vervolgens wordt doorgestort naar de notaris. Neen, het geld wordt direct op de notarisrekening gecreëerd. Analoog, een doorlopend rekening-courantkrediet (voor een particulier) of een kredietfaciliteit (in essentie hetzelfde, maar dan voor een bedrijf) wordt ook pas aangesproken als een concrete betaling dat vereist. Waar u twee stappen veronderstelt (nl 1) deposito wordt gecreëerd, 2) deposito wordt aangewend), is er dus echt maar één. Nogmaals, het effect is hetzelfde, maar het is een belangrijk onderscheid. We kunnen hier lang en kort over discussiëren, dit is hoe het in de systemen van ING (en ik neem aan ook de andere banken) gaat, dus dat feit is mijn vertrekpunt.

En over de controlerende rol van de centrale bank: er zijn zekere limieten in het systeem. De rente is een indirecte regulator van krediet. Directere limieten zijn kapitaals- en liquiditeitseisen. Die stellen een bovengrens aan kredietverlening. Met nieuw macroprudentieel gereedschap kan de centrale bank verdere algemene en specifieke afremmers en grenzen stellen. Vandaar mijn stelling dat de centrale bank de controle heeft. Edoch, dat de centrale bank het maximum kan stellen, wil echter niet zeggen dat zij banken ook een minimum kredietverlening kan dicteren. Vandaar de door u juist geobserveerde terugval in de verhouding van maatschappelijk geld (M2/M3) t.o.v. basisgeld.

Dat risico’s onderschat zijn lijkt me evident. Er is en wordt veel werk in gestoken om dat te verbeteren. De vergelijking die u trekt tussen solvabiliteit niet-financiële bedrijven en die van banken gaat echter mank. Een bank is een verstrekker van vreemd vermogen, wat per definitie minder riskant is dan eigen vermogen. Dat, in combinatie met het beperken van de “probability of default” en het vragen van extra zekerheden (beperken van de “loss given default”) maakt dat een geografisch en sectoraal gediversificeerde bank met veel minder eigen vermogen toekan dan een gewoon bedrijf. Stress tests tonen dat aan.

Met uw conclusie, die aansluit met die van Martin Wolf, ben ik het niet eens—dat zult u in mijn stuk ook al gelezen hebben. Los van de gigantische overgangsproblematiek die met een dergelijke radicale hervorming gepaard zou gaan, ben ik van mening dat de politieke druk op de “geldscheppingsautoriteit” overweldigend zou zijn. Geen politieke onafhankelijkheid is daar tegen opgewassen. Reeds bij de huidige centrale banken wordt politieke druk uitgeoefend. Macroprudentieel toezicht zal een extra reden voor politieke bemoeienis zijn en is dus al een uitdaging. Volledige en directe controle bij de centrale bank is in mijn ogen een te radicaal, en bovendien onnodig instrument.
Ja, geldschepping door private banken is niet perfect en vraagt om toezicht. Maar staatscontrole van geldschepping is niet het juiste antwoord. Ofwel, met een parafrase van Churchill: “Fractional reserve banking is the worst form of money creation, except for all those other forms that have been conceived from time to time”

Met vriendelijke groet,
-Teunis Brosens

 

Beste heer Brosens,

Bedankt voor uw antwoord. Hoewel ik me er iets bij kan voorstellen, is het echter toch een verarming van de discussie, dat u niet alle punten die ik heb aangesneden kunt adresseren.


U schrijft dat de lening niet eerst tot een deposito leidt. Toch bevestigt de ING in een mail naar de Stichting Ons Geld in antwoord op vragen over geldschepping deze gang van zaken:
“vraag 2. Creëert de ING nieuw geld wanneer ze leningen verstrekt aan klanten.
Ja. Wanneer banken een lening verstrekken aan klanten dan wordt er nieuw geld gecreëerd. Op de bankbalans verschijnt op de bezittingenkant een claim van de bank op de klant, dit is de lening zelf. Aan de verplichtingenkant van de bankbalans verschijnt een deposito, dit is de corresponderende claim van de klant op de bank. Het deposito is geld, en de creatie van het deposito is dus geldcreatie. Wanneer de lening wordt terugbetaald verdwijnt het deposito, en daarmee het geld weer uit het system. Vanzelfsprekend gebeurt dit altijd binnen de gestelde kaders van de wet- en regelgeving. Dit is overigens niets bijzonders: ongeveer 90% van de totale geldhoeveelheid in de economie bestaat uit deposito’s en andere verplichtingen van banken.”
De mail werd op 10 oktober 2013 door dhr. A.P. Heida van Corporate Communications verstuurd naar de Stichting Ons Geld met een cc naar u. 


Het gaat me er werkelijk niet om u met woorden van uw collega te vangen, maar het onderwerp is absoluut relevant, want zoals Paul Sheard schrijft: "Banks don't lend out of deposits; nor do they lend out of reserves. They lend by creating deposits." Dit deposito staat centraal in het geldscheppingsproces van private banken. Dit neemt niet weg dat de betaling direct naar de rekening van de notaris bij bank ‘B’ gaat. Boekhoudkundig wordt de geldcreatie echter bij alle banken op dezelfde manier verwerkt. Als er geld van bank A naar bank B gaat, dan wordt dit geboekt op de lopende rekening van respectievelijk bank A en bank B bij de centrale bank. Eens per etmaal vindt clearing plaats en is het aan de Treasury van de bank om ervoor te zorgen dat de bank voldoet aan de criteria. Reserves worden dus achteraf op orde gebracht. In normale tijden, schrijft Sheard, vult de centrale bank de liquiditeit reserves aan, als de banken het al niet onderling hebben geregeld. In niet normale tijden willen banken zelf het risico beperken door het volume van de kredietverlening terug te brengen. Met een cynische blik zou men kunnen zeggen dat de huidige hogere liquiditeitseisen van de centrale bank welkom zijn voor de banken omdat men hiermee een geldig excuus heeft om de kredietverlening beperkt te houden. Dat het een ‘inconvenient truth’ is kan ik mij indenken en ook dat het door de leek volkomen verkeerd kan worden begrepen eveneens. Zoals ik echter in mijn vorige mail al schreef ligt de verantwoordelijkheid hiervoor voor een belangrijk deel bij de banken zelf.


Mijn mening over de lage solvabiliteit bij banken was destijds evenals die van u; banken verlenen niet risicodragend vreemd vermogen en moeten daarom risico zo veel als mogelijk uitsluiten. Dit heb ik in gesprek met klanten van de bank diverse keren voorgehouden als de klant bezwaar maakte tegen de ‘overflow’ aan zekerheden. Vooral na de publicaties over de gang van zaken met de Laiki Bank en de Bank of Cyprus is mijn mening echter gewijzigd.
In een artikel op mijn weblog schreef ik: “Eind 2010 had de Laiki Bank een eigen vermogen van 3,6 miljard euro, 8,5% van het totale vermogen wat voor een bank zeer redelijk is. De Bank of Cyprus had eind 2010 een vermogen van 2,6 miljard euro, of 6,4% van het balanstotaal. Uit beide jaarrekeningen bleken in dat jaar geen grote problemen. Ook de resultaten van beide banken gaven geen aanleiding tot grote zorgen. In 2010 de Laiki Bank nog een winst van 89 miljoen euro na belasting en voorzieningen en de Bank of Cyprus 302 miljoen euro. “ Na een stresstest, uitgevoerd door het IMF, sloeg de situatie totaal om. Plotseling waren er omvangrijke voorzieningen noodzakelijk. De Laiki Bank boekte daardoor een verlies na belasting en voorzieningen dat gelijk stond aan het eigen vermogen, dus van € 3,6 miljard en werd geliquideerd. De Bank of Cyprus boekte een verlies van € 1,3 miljard en werd op kleinere schaal voortgezet. Het belangrijkste punt is, dat deze verliezen in het jaarverslag 2010 niet werden voorzien.


Banken hebben zich in risicovolle activiteiten begeven en de bestaande activiteiten zijn risicovoller gebleken dan tot het uitbreken van de crisis werd voorzien. Ik zou mijn hand niet in het vuur durven te steken voor de relatief lage voorzieningen die Nederlandse banken treffen. Reeds in 2010 verklaarden Buiter en Wellink onafhankelijk van elkaar dat voor het saneren en herkapitaliseren van de Europese bankensector een bedrag van minstens € 3.000 miljard euro nodig zou zijn.
Er is geen bewijs voorhanden dat overname van de geldscheppingsfunctie van private banken naar een publieke instelling een effectieve oplossing zou zijn, wel is in het verleden bewezen dat overheden verstandig kunnen omgaan met publieke geldschepping, zoals blijkt uit bijgevoegd artikel van de Amerikaanse auteur Ellen Brown. De tegenstanders van publieke geldschepping wijzen vaak op de hyperinflatie in de Weimar republiek en in Zimbabwe. De tragische geschiedenis van de Weimar republiek is echter anders dan het vaak wordt voorgesteld. Duitsland was als gevolg van de oorlogseconomie tussen 1914 en 1918 failliet aan het einde van de eerste wereldoorlog. De mannelijke bevolking was gedecimeerd. Een van de belangrijkste bronnen van inkomsten voor de Europese mogendheden van die era –de koloniën- waren Duitsland afgenomen. Bovendien hadden de overwinnaars enorme herstelbetalingen opgelegd aan Duitsland. De hyperinflatie in de jaren ’20 was niet het gevolg van verkeerd economisch beleid, maar van de onmogelijkheid om de economie op gang te brengen.


In mijn artikel ‘Help de banken’ ga ik uit van geldschepping ten behoeve van de ontwikkeling van een duurzame economie. Door publieke geldschepping zoals door mij wordt voorgesteld blijft de vrije marktwerking gegarandeerd, omdat de private banken de geldstromen door de economie blijven sturen. Met het grote verschil dat de private banken niet langer worden belemmerd door de gevolgen van het huidige geldscheppingsproces. Bovendien kunnen de geldstromen veel beter dan nu het geval is terecht komen bij bedrijven en ondernemers die bijdragen aan een duurzame en goed gediversifieerde lokale/regionale economie. Een schitterende mogelijkheid dus om banken de voortrekkers van de economie te laten worden die ze nu niet zijn.

Met vriendelijke groet,
Ad Broere


Beste heer Broere,

Laat ik over de e-mail aan Ons Geld die u meestuurt helder zijn: de inhoud van die mail is grotendeels afkomstig van mij. Maar er heeft ook bij mij in de driekwart jaar sindsdien enig voortschrijden van inzicht plaatsgehad. Ik sta nog steeds achter de hoofdboodschap van die mail, alleen de belangrijke nuance die ik eerder reeds schetste, had ik zelf toen nog niet helder op het netvlies: er is een verschil tussen het feit dat enerzijds geldschepping in de bankensector plaatsvindt zoals o.a. u meent dat dit werkt, en zoals ik dat in de mail aan Ons Geld heb beschreven. Maar voor een individuele bank is dat anders. Nogmaals, ik denk dat u en ik het op dit punt veel meer eens zijn dan nu lijkt. Laat ik dat illustreren door mijn tekst van vorig jaar aan te vullen om hem consistent te maken met hoe ik er nu tegenaan kijk. Zoals u hieronder ziet zijn de wijzigingen klein.

Ja. Wanneer banken een lening verstrekken aan klanten dan wordt er nieuw geld gecreëerd. Op de bankbalans verschijnt op de bezittingenkant een claim van de bank op de klant, dit is de lening zelf. Aan de verplichtingenkant van de bankbalans van de bankensector (maar in de regel niet bij de kredietverlenende bank) verschijnt een deposito, dit is de corresponderende claim van de klant op de bank. Het deposito is geld, en de creatie van het deposito is dus geldcreatie. Wanneer de lening wordt terugbetaald verdwijnt het deposito, en daarmee het geld weer uit het system. Vanzelfsprekend gebeurt dit altijd binnen de gestelde kaders van de wet- en regelgeving. Dit is overigens niets bijzonders: ongeveer 90% van de totale geldhoeveelheid in de economie bestaat uit deposito’s en andere verplichtingen van banken

Dat is de “paradox”: een individuele bank moet ieder krediet wel degelijk financieren, omdat een krediet meteen wordt gespendeerd en niet eerst in de vorm van een deposito voor de klant verschijnt. Op sectorniveau is dat uiteraard een ander verhaal: er verschijnt in het systeem wel degelijk ergens een deposito. En uiteraard is het ook zo dat deposito’s die in het systeem gecreëerd worden, uiteindelijk deels ook weer terugvloeien naar de kredietverlenende bank. De paradox geldt dus vooral op korte termijn, en bij verlening en financiering van een individueel krediet. Voor de sector als geheel geldt wél dat ieder krediet zijn eigen deposito creëert.

En dan over de vraag of banken voldoende gekapitaliseerd zijn. Er zijn in Europa een aantal episodes geweest die niet fraai zijn; zoals stress tests die niet geloofwaardig geacht werden. Ook het feit dat banken uiteenlopende risicoweging hanteren voor een vergelijkbare portefeuille (zoals geconstateerd door de BIS), ziet er niet fraai uit, ook al zijn de verschillen deels verklaarbaar.
Wij zijn dan ook voorstander van meer transparantie over hoe banken tot hun berekende kapitaal komen, zodat de buitenwereld beter kan inschatten hoe gezond een bank nu werkelijk is. Want zoals u terecht constateert: de ene bank met 10% Basel-kapitaal is de andere bank met 10% niet. Als u onze jaar- en kwartaalresultaten doorneemt op de website (zie http://www.ing.com/Investor-relations/Results-Interim-Accounts/Quarterly-Results.htm) zult u dan ook zien dat wij een slag gemaakt hebben in het bieden van meer inzicht in ons financieel reilen en zeilen.

Wat wij lastig vinden, is dat in het maatschappelijk debat “de banken” veelal op één hoop worden geveegd. Vaak worden problemen elders in Europa gebruikt als stok om Nederlandse banken mee te slaan. Nu zal ik de laatste zijn om te ontkennen dat er in Nederland zaken niet goed zijn gegaan, maar de problematiek die in sommige Europese landen speelt is niet vergelijkbaar met hoe het thans met de Nederlandse banken gaat, voorzover wij kunnen beoordelen. In ieder geval is het niet vergelijkbaar met hoe het met ING gaat. Zo zegt u bijvoorbeeld dat Nederlandse banken lage voorzieningen treffen. Ik nodig u van harte uit om via bovenstaande link te kijken naar de kredietverliezen en voorzieningen die wij treffen. U zult constateren dat onze voorzieningen altijd, ook in 2008/9, de kredietverliezen ruimschoots overtroffen hebben. En we verwachten dat dat zo blijft. Lage voorzieningen of onjuiste risico-inschattingen zijn voor ons nooit een probleem geweest. Ons probleem was de Amerikaanse hypotheekportefeuille, gecombineerd met de mark-to-market boekhoudregels. Een portefeuille waar wij, saillant genoeg, niet onze eigen interne risicoweging op los lieten, maar waarop de standaard-risicoweging van toepassing was.

Als ik uw artikel “help de banken” goed begrijp, zou uw suggestie niet oplossen dat geld “gedekt” wordt door claims (zoals nu het geval is). Immers, het deposito bij het kredietinstituut wordt “gedekt” door een claim (op dezelfde bank); die op zijn beurt weer gedekt wordt door het krediet dat verleend is aan de klant. Dus in hoeverre is de gelddekking in dit systeem nu werkelijk anders – naast de andere aspecten (rente, introductie van het kredietinstituut)?

Enfin, ik hoop dat u begrijpt dat ik niet streef naar verarming van de discussie. Ik moet alleen mijn schaarse tijd verdelen. Wellicht dat we elkaar tegenkomen op 20 september. Ik zie dat u uw medewerking heeft toegezegd aan het congres van Paul Buitink, waar ik ook zal spreken. Wellicht kunnen we dan de discussie in persoon uitgebreider voeren.


Vriendelijke groet,
-Teunis Brosens

 

Beste heer Brosens,

Uit uw antwoord maak ik op dat u de discussie voor nu wilt beëindigen. Ik respecteer dit vanzelfsprekend, hoewel ik het jammer vindt dat we het onderwerp publieke of private geldschepping niet verder kunnen uitdiepen. Het congres op 20 september is mijns inziens niet het geschikte kader hiervoor. In elk geval kunnen we elkaar dan de hand schudden.

Tot slot een korte reactie op uw opmerkingen naar aanleiding van 'Help de banken'. Het probleem zit mijns inziens niet in het scheppen van fiatgeld, zolang de geldhoeveelheid in overeenstemming is met wat er nodig is voor een doelmatige waardecreatie van goederen en diensten.

 

Met vriendelijke groet,

Ad Broere

Ad Broere
webdesign by vincken.eu