Aan de leden van de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer

Betreft: Burgerinitiatief Ons Geld

 

Geachte heer/mevrouw,

Ik ben een van de drie initiatiefnemers van het Burgerinitiatief Ons Geld. Op 14 september zond ik een mail naar mijn mede-initiatiefnemers waarin de volgende tekst stond:Ik heb het besluit genomen om per direct te stoppen met mijn deelname aan het Burgerinitiatief Ons Geld.  De belangrijkste reden is dat ik niet geneigd ben tot een compromis met betrekking tot dit geldstelsel. Zolang verreweg het grootste deel van het geld door schuld ontstaat en zolang voor die schuld geld moet worden betaald, is het een mathematische zekerheid dat crisissen bij herhaling zullen optreden en dat de welvaart zeer ongelijk verdeeld zal blijven. Wat mij betreft staat daarom een rentevrije economie centraal en een verdienmodel van banken dat is gebaseerd op de toegevoegde waarde van de dienstverlening en niet  op de hoeveelheid uitgeleend geld. Vanzelfsprekend heb ik er begrip voor dat radicale standpunten politiek onhaalbaar zijn en dat het een kwestie van manoeuvreren is om zoveel mogelijk te bereiken van wat je voor ogen hebt. Dat is echter niet 'my cup of tea'. ’

Ik ben weliswaar gestopt met mijn (actieve) deelname aan het initiatief, maar blijf wel een van de initiatiefnemers. Daarom mail ik u hierbij ook mijn position paper om hiermee duidelijk te maken wat vanaf de aanvang mijn persoonlijke doelstellingen zijn met betrekking tot het initiatief.  

 

Ongelijkheid voor allen

In ‘Inequality for All’ laat de Amerikaanse hoogleraar Robert Reich zien hoe de middenklasse in de Verenigde Staten geleidelijk aan inkomenscapaciteit heeft ingeboet. In 1978, stelt Reich, verdiende de gemiddelde Amerikaanse werknemer $48.000, gecorrigeerd voor inflatie, terwijl de rijkste 1% gemiddeld $390.000 verdiende, d.i. 8 keer meer. In 2010 verdiende de middenklasse werknemer nog slechts $33.000 en de 1% verdiende gemiddeld $1,1 miljoen, of 33 keer meer. Tegelijkertijd werden de prijzen van woningen voortdurend hoger en door de stevige hypotheekrentes in de 80er en 90er jaren van de vorige eeuw, werd het meer en meer noodzaak dat het gezinsinkomen werd gedragen door tweeverdieners. 

Reich stelt dat de vermogensverdeling tussen 1980 en 2007 voortdurend schever werd doordat een relatief klein aantal Amerikanen netto ontvanger waren van de rente die op schulden werd betaald. Ongeveer 80% van de Amerikaanse gezinnen, het deel met de netto schuld, moest deze rente opbrengen. De rijkste 10% beschikt door deze omvangrijke kas instroom over veel vrij vermogen, dat verder in omvang toenam doordat het wereldwijd werd belegd en de productieve economie in de VS gaandeweg minder werkgelegenheid bood.

De oplossing die Reich voorstelt is meer onderwijs en omscholing, om de internationale concurrentiepositie van de V.S. te verbeteren. Wat Reich beschrijft over de gang van zaken in de V.S. wijkt niet af van de ontwikkelingen in Nederland.

Het is noodzakelijk dat het onderwijs beter aansluit bij de maatschappelijke realiteit, maar het lost het kernprobleem niet op. Het kernprobleem is vooral het gevolg van het herverdelingsmechanisme dat in het financiële stelsel zit. Hierdoor is er sprake van een vermogensgroei bij een klein deel van de huishoudens in een opgaande conjunctuurfase -vooral doordat de rente in deze fase relatief hoog is-  en het uitblijven van vermogensvorming bij verreweg de meeste huishoudens. De vermogensgroei bij deze kleine minderheid wordt versterkt doordat deze groep de beschikking heeft over steeds meer vrij belegbaar vermogen en de aandacht bij deze groep verschuift van rente naar rendement. Dit proces zorgt voor groeiende spanning in de samenleving en als gevolg daarvan voor een voor de overheid onbeheersbare, onoplosbare problematiek.  

 

 Vermogensongelijkheid in Nederland

De groeiende vermogensongelijkheid in Nederland wordt in beeld gebracht door 1993 en 2012 met elkaar te vergelijken. De 7,5 miljoen Nederlandse huishoudens zijn voor dit doel ondergebracht in tien in aantal gelijke groepen of klassen van 750.000 huishoudens. Groep 1 is de minst vermogende en groep 10 de meest vermogende klasse. Onder vermogen wordt het netto bezit verstaan, bestaande uit de overwaarde op de eigen woning, spaartegoeden, effecten, ander vastgoed dan de eigen woning, vorderingen, de waarde van de eigen onderneming, aanmerkelijk belang en roerende zaken zoals edelmetaal, onder aftrek van schulden. In 2012 was het vermogen gegroeid met 798 miljard euro van 368 miljard euro in 1993 tot 1.166 miljard euro. Van deze groei kwam 500 miljard euro bij de rijkste 10% van de huishoudens en 150 miljard bij de een na rijkste groep. De onderste 50% profiteerde niet van de vermogensgroei. Voor de minst vermogende 10% overtroffen de schulden het bezit, meest doordat de eigen woning ‘onder water’ kwam te staan. Verder steunt het vermogen van de groepen 6, 7 en 8 vooral op de overwaarde van de eigen woning, dus niet op vrij vermogen. Alleen de groepen 9 en 10 beschikken over een aanzienlijk vrij vermogen. In 2013 was het vermogen exclusief de eigen woning bij groep 9 82 miljard euro en bij groep 10, 500 miljard euro waarmee deze groepen huishoudens over 84% van het totale vermogen exclusief de overwaarde op de eigen woning beschikten. Opvallend is daarbij, dat ten opzichte van 2012 alle groepen hebben ingeleverd, behalve groep 10, die 22 miljard aan het vermogen toevoegde. In Nederland is er dus evenals dat in de V.S. het geval is, sprake van een groeiende vermogensongelijkheid, die na het uitbreken van de crisis doorgaat.

 Grafiek 1

Vermogensongelijkheid

© Ad Broere

De rol van commerciële banken

Wat is de rol van commerciële banken in het proces van de groeiende vermogensongelijkheid? In het financiële stelsel vervullen banken een sleutelrol. Commerciële banken scheppen digitaal geld en tegenover iedere euro gecreëerd geld staat een euro schuld. De groei van de digitale geldhoeveelheid (Grafiek 2) komt geheel op het conto van commerciële banken. Die groei was onstuimig tussen 1995 en 2005. In die periode groeide de digitale geldhoeveelheid van 216 miljard euro in 1995 naar 504 miljard in 2005, of met 234%. Daarvoor, tussen 1985 en 1995 was de groei robuust en na 2005 nam de groei af, het sterkst in de periode tussen 2009 en 2014. De totale groei van de digitale geldhoeveelheid was tussen 1985 en 2009 524 miljard euro. 

De digitale geldschepping in de periode 1985-2009 was in hoge mate gericht op het financieren van de aankoop van woningen. Het totale volume aan hypotheken nam met 536 miljard euro toe van 81 miljard euro in 1985 tot 617 miljard in 2009. De conclusie dat de groei van de digitale geldhoeveelheid geheel voor rekening komt van de groei van de hypotheekschuld, ligt voor de hand. Dit is grotendeels een juiste gevolgtrekking, maar niet helemaal. De commerciële banken hebben hun aandeel in de ‘hypothekenbubble’ verminderd door een deel van de hypotheken te knippen, verpakken en vervolgens te verkopen aan zogenoemde Special Purpose Vehicles (SPV’s). De SPV’s verkochten vervolgens leningen aan beleggers met als dekking de hypotheken die waren gekocht van de commerciële banken. De internationale naam voor deze leningen is Collateralised Debt Obligations (CDO’s). CDO’s werden berucht doordat in de V.S. slechte hypotheken – uitgeleend aan mensen die gegarandeerd niet in staat waren om aan hun verplichtingen te voldoen- werden verpakt in CDO’s en verkocht aan beleggers over de hele wereld als prima beleggingen. Deze CDO’s waren een belangrijke oorzaak van de bankencrisis die begon in 2008.

De Nederlandse CDO’s zijn van een betere kwaliteit, want de betalingsmoraliteit van de Nederlanders is hoog. Vandaar dat de commerciële banken geen moeite hadden met de verkoop van hypotheken. Het bedrag van de verkochte (gesecuritiseerde) hypotheken groeide met 204 miljard euro van 2 miljard in 1995 tot 206 miljard euro in 2009. Daardoor was de netto digitale geldschepping voor hypotheken 411 miljard euro in 2009, of bijna twee-derde van de totale digitale geldschepping door commerciële banken. Het probleem hiermee is dat banken dit niet aan hun klanten vertellen. Het is ook niet te verdedigen dat de klant denkt dat zijn bank de geldgever is, terwijl de bank in werkelijkheid niet meer dan een administratiekantoor is. Dit maakt het onderhandelen over wijzigingen in de condities er ook niet gemakkelijker op. Het zou logisch zijn als de rechter hiervoor een stokje zou steken, maar dit terzijde. 

De commerciële banken zijn verantwoordelijk voor de enorme groei van de digitale geldhoeveelheid. Om te voorkomen dat de groei uit de hand liep, hebben de banken een behoorlijk deel van de hypotheken ondergebracht bij beleggers door ze op te knippen, te verpakken en te verkopen.

Uiteindelijk is het vermogen van de meerderheid van de Nederlandse huishoudens niet toegenomen als gevolg van de groei van de digitale geldhoeveelheid. Het is een onthutsend feit dat er van elke euro die door banken op basis van schuld worden gecreëerd, 70 eurocent in de zakken van de rijkste 10% terecht komt. 

 

Woningen en hypotheken

De gemiddelde prijs van alle typen woningen is meer dan vervijfvoudigd tussen 1985 en 2009, terwijl het modale inkomen in diezelfde periode zelfs niet verdubbelde en nauwelijks meer groeide dan de inflatie. Geen wonder dat de betaalbaarheid van woningen steeds minder is geworden en dat een steeds groter deel van het inkomen aan woonlasten wordt uitgegeven. Evenals in de V.S., is het tweeverdienersschap ontstaan uit noodzaak en niet uit vrije wil (samen werken om de woning te betalen). Waarom zijn de woningprijzen zo sterk gestegen? Hieraan blijken meerdere factoren te hebben bijgedragen:

  1. hogere grondprijzen
  2. strengere eisen aan de bouwmaterialen
  3. betere kwaliteit van de bouw
  4. een beweging vanuit het lagere segment naar het middensegment
  5. waardoor er een frictie ontstond in het middensegment tussen vraag en aanbod
  6. grondspeculatie
  7. rendementseisen van de aannemers
  8. rendementseisen van de beleggers
  9. rente inkomsten van de commerciële banken
  10. omzet van de financiële dienstverleners (makelaars, hypotheekadviseurs)
  11. fiscale facilitering door renteaftrek op woninghypotheken

Commerciële banken hebben een belangrijk deel van hun winsten behaald uit de hypotheekverlening. De ontwikkeling van de vermogensverdeling tussen 1993 en 2012 geeft echter ontegenzeggelijk aan wie er vooral hebben geprofiteerd van de geldschepping door schuld van de banken. Dat zijn niet de banken zelf, maar een beperkt aantal particuliere huishoudens. Banken zijn het instrument dat het herverdelingsmechanisme in beweging houdt.

De geldwaarde van alles wat er in een land in een jaar wordt geproduceerd aan goederen en diensten wordt tot uitdrukking gebracht in het Bruto Binnenlands Product (BBP). Het BBP van Nederland is tussen 1985 en 2009 gegroeid met 373 miljard euro, van 200 miljard in 1985 tot 573 miljard euro in 2009. Het BBP is dus iets minder dan verdrievoudigd in de periode tussen 1985 en 2009. De stijging van het modale inkomen is hierbij achtergebleven. Het aandeel van de inkomens uit loon in het BBP is dus minder geworden.

Het voorgaande wordt in de onderstaande grafiek weergegeven:

Grafiek 2 Ontwikkeling van de bijdrage van banken aan de geldhoeveelheid,  het BBP, inkomen, woningprijzen en hypotheekschuld in Nederland (trendanalyse, 1985 = 100)

Trendanalyse M2 Bbp En

© Ad Broere trendanalyse, basisjaar 1985,bronnen DNB en CBS  Digitaal: digitale geldhoeveelheid, gecreëerd door private banken (staat gelijk aan de hoeveelheid schuld)  BBP: bruto binnenlands product tegen marktprijzen  Inkomen: modale bruto jaarinkomen  Inflatie: gemiddelde inflatie 2,1% per jaar  Woningen: de nominale waarde van de gemiddelde prijs van alle woningtypen  Hypotheken 1: de totale hypotheekschuld van Nederlandse huishoudens  Hypotheken 2: de hypotheekschuld van Nederlandse huishoudens min het bedrag van gesecuritiseerde hypotheken

Wonen is een primaire levensbehoefte, die niet moet worden overgelaten aan het marktmechanisme. De voorgaande analyse maakt dit duidelijk. Hoe zou het anders, beter kunnen dan nu het geval is?

Publieke geldschepping èn rentevrije leningen

 Banken scheppen geld op basis van de handtekening onder het lening contract dat de bank overeenkomt met de klant. De hoeveelheid door de banken gecreëerd geld is altijd gelijk aan de hoeveelheid schuld die klanten bij de banken hebben. Aflossing van de schuld heeft vernietiging van het digitale geld tot gevolg. Er is genoeg digitaal geld in omloop om alle schulden te kunnen aflossen, maar niet om de rente te kunnen betalen. Om aan de renteverplichtingen te kunnen voldoen zal de hoeveelheid schuld tenderen tot toename. Dit proces leidt dus tot voortdurend hogere schulden en een dito voortdurend toenemende hoeveelheid geld.

Verder komt het door schuld gecreëerde geld in zeer onevenredige mate terecht bij 10% van de huishoudens, zoals in grafiek 1 wordt aangetoond. Dit is het gevolg van het herverdelingsmechanisme dat in beweging wordt gebracht door rente, zoals eerder in dit artikel werd besproken.

Banken zijn commerciële ondernemingen, die het belang van de aandeelhouders dienen en niet die van de samenleving. Dat banken ‘instellingen’ worden genoemd veronderstelt ten onrechte dat het algemeen belang wordt gediend. Commerciële ondernemingen scheppen geld door schuld. Voor de boekhoudkundige handeling die tot deze digitale geldschepping leidt eisen banken rente, door de schuldenaar te betalen gedurende de gehele looptijd van de lening. Vanzelfsprekend hebben banken hun bedrijfskosten en hoewel banken geld creëren waar geen spaargeld tegenover staat op het moment van het tekenen van het contract, moeten individuele banken wel hun balans op orde houden en blijven voldoen aan de reserve eisen. Banken kopen daarom het geld in dat zij tekort komen en betalen hiervoor aan de leverancier van dat geld. Toch is het verdienmodel, gebaseerd op rente veel aantrekkelijker dan een verdienmodel, gebaseerd op uurtarieven voor dienstverlening, computertijd etc.. Ik geef een eenvoudig voorbeeld om dit te onderbouwen. Een klant leent € 200.000 voor een periode van 30 jaar, 4% rente geen aflossingen. De rentemarge, het verschil tussen verkoop en inkoop, is 2%. De bank heeft een rentemarge resultaat van € 4.000 per jaar, dus over de periode van 30 jaar € 120.000. Als deze bank een op dienstverlening gebaseerd verdienmodel zou gaan hanteren, dan zou de totale opbrengst van deze lening slechts een fractie zijn van die € 120.000, immers het aantal uren dat over de hele looptijd benodigd is voor het tot stand komen van de lening en het beheer vergt hooguit 60 uur over de hele looptijd.

Afschaffen van rentebankieren heeft tot gevolg dat het herverdelingsmechanisme wordt doorbroken en daardoor een evenwichtiger verdeling van de welvaart mogelijk wordt. Bovendien wordt de noodzaak om extra geld te scheppen teneinde de rente te kunnen opbrengen weggenomen, waardoor de inflatie vermindert.

Evenals de andere initiatiefnemers ben ik van mening dat geldschepping moet worden overgeheveld van de commerciële banken naar een publieke instelling. Deze stap is echter onverbrekelijk verbonden met het rentevrij maken van leningen en kredieten. Naar mijn mening moeten beide onderwerpen daarom gelijktijdig en niet volgtijdig worden besproken.

 

 

Ad Broere
webdesign by vincken.eu