... en de rol van banken in dit proces

In dit artikel wordt onderzocht waarom de vermogensverdeling in de periode tussen 1993 en 2012 zoveel schever is geworden. De rol van banken in dit proces is onmiskenbaar. Vooral tussen 1995 en 2005 hebben banken een enorme hoeveelheid geld gecreëerd, in belangrijke mate voor de financiering van ‘de eigen woning’. Daarbij zijn de banken voorbij gegaan aan hun eigen risicolimiet. Dit werd achteraf gerepareerd door het ‘teveel’ aan hypothekenvolume af te stoten naar beleggers. Door meerdere factoren zijn de huizenprijzen tussen 1985 en 2009 enorm gestegen, veel sterker dan de modale inkomens. De huidige lage rente verhult de werkelijkheid enigszins. Als de rente weer op het niveau van 2001 zou liggen, dan zou blijken hoe groot het probleem structureel is. Door verbanden te leggen tussen de digitale geldhoeveelheid, het bruto binnenlands product, de modale inkomens, woningprijzen en hypotheekschuld kom ik tot de conclusie dat een rentevrije economie ons uit de impasse zal kunnen leiden.

 

Ongelijkheid voor allen

In ‘Inequality for All’ laat de Amerikaanse hoogleraar Robert Reich zien hoe de middenklasse in de Verenigde Staten geleidelijk aan inkomenscapaciteit heeft ingeboet. In 1978, stelt Reich, verdiende de gemiddelde Amerikaanse werknemer $48.000, gecorrigeerd voor inflatie, terwijl de rijkste 1% gemiddeld $390.000 verdiende, d.i. 8 keer meer. In 2010 verdiende de middenklasse werknemer nog slechts $33.000 en de 1% verdiende gemiddeld $1,1 miljoen, of 33 keer meer. Tegelijkertijd werden de prijzen van woningen voortdurend hoger en door de stevige hypotheekrentes in de 80er en 90er jaren van de vorige eeuw, werd het meer en meer noodzaak dat het gezinsinkomen werd gedragen door tweeverdieners.
Ook werd de vermogensverdeling tussen 1980 en 2007 voortdurend schever vooral doordat een relatief klein aantal Amerikanen netto ontvangers waren van de rente die op schulden werd betaald. Ongeveer 80% van de Amerikaanse gezinnen, het deel met de netto schuld, moest deze rente opbrengen. De rijkste 10% beschikt door deze omvangrijke kas instroom over veel vrij vermogen, dat vervolgens in geautomatiseerde productieprocessen wordt belegd, -tenminste- voor zover het in de productieve economie wordt geïnvesteerd. Daardoor neemt de werkgelegenheid af, vooral die in de banen voor de beroepsbevolking met een middelbare opleiding. De oplossing die Reich voorstelt is meer onderwijs en omscholing, om de internationale concurrentiepositie van de V.S. te verbeteren. Wat Reich beschrijft over de gang van zaken in de V.S. wijkt niet af van de ontwikkelingen in Nederland. Ik ga hier in dit artikel verder op in.
Het is noodzakelijk dat het onderwijs beter aansluit bij de maatschappelijke realiteit, maar het lost het kernprobleem niet op. Het kernprobleem is vooral het gevolg van het herverdelingsmechanisme dat in het financiële stelsel zit. Hierdoor is er sprake van een sterke vermogensgroei bij een klein deel van de huishoudens in een opgaande conjunctuurfase -vooral doordat de rente in deze fase relatief hoog is-  en het uitblijven van vermogensvorming bij verreweg de meeste huishoudens. Dit proces zorgt voor groeiende spanning in de samenleving en een voor de overheid onbeheersbare, onoplosbare problematiek als er zich weer een crisis aandient.  

 

Vermogensongelijkheid in Nederland

De groeiende vermogensongelijkheid in Nederland wordt in beeld gebracht door 1993 en 2012 met elkaar te vergelijken. De Nederlandse huishoudens zijn voor dit doel ondergebracht in tien in aantal gelijke groepen of klassen van huishoudens. Groep 1 is de minst vermogende en groep 10 de meest vermogende klasse. Onder vermogen wordt het netto bezit verstaan , bestaande uit de overwaarde op de eigen woning, spaartegoeden, effecten, ander vastgoed dan de eigen woning, vorderingen, de waarde van de eigen onderneming, aanmerkelijk belang en roerende zaken zoals edelmetaal, onder aftrek van schulden. In 2012 was het vermogen gegroeid met 798 miljard euro van 368 miljard euro in 1993 tot 1.166 miljard euro. Van deze groei kwam 500 miljard euro bij de rijkste 10% van de huishoudens en 150 miljard bij de een na rijkste groep. De onderste 50% profiteerde niet van de vermogensgroei. Voor de minst vermogende 10% overtroffen de schulden het bezit, meest doordat de eigen woning ‘onder water’ kwam te staan. Verder steunt het vermogen van de groepen 6, 7 en 8 vooral op de overwaarde van de eigen woning, dus vastgelegd vermogen. Alleen de groepen 9 en 10 beschikken over een aanzienlijk vrij vermogen. In 2013 was het vermogen exclusief de eigen woning bij groep 9 82 miljard euro en bij groep 10, 500 miljard euro waarmee deze groepen huishoudens over 84% van het totale vermogen exclusief de overwaarde eigen woning beschikten. Opvallend is daarbij, dat ten opzichte van 2012 alle groepen hebben ingeleverd, behalve groep 10, die 22 miljard aan het vermogen toevoegde. In Nederland is er dus evenals dat in de V.S. het geval is, sprake van een groeiende vermogensongelijkheid, die ook na het uitbreken van de crisis doorgaat.

Vermogensongelijkheid

© Ad Broere

De rol van commerciële banken


Wat is de rol van commerciële banken in het proces van groeiende vermogensongelijkheid? In het financiële stelsel vervullen banken een sleutelrol. Commerciële banken scheppen digitaal geld en inmiddels is genoegzaam bekend hoe ze dit doen: ‘uit het niets’. De groei van de digitale geldhoeveelheid komt geheel op het conto van commerciële banken. Die groei was onstuimig tussen 1995 en 2005. In die periode groeide de digitale geldhoeveelheid van 216 miljard euro in 1995 naar 504 miljard in 2005, of met 234%. Daarvoor, tussen 1985 en 1995 was de groei robuust en na 2005 nam de groei af, het sterkst in de periode tussen 2009 en 2014. De totale groei van de digitale geldhoeveelheid was tussen 1985 en 2009 524 miljard euro.
De digitale geldschepping in de periode 1985-2009 was in hoge mate gericht op het financieren van de aankoop van woningen. Het totale volume aan hypotheken nam met 536 miljard euro toe van 81 miljard euro in 1985 tot 617 miljard in 2009. De conclusie dat de groei van de digitale geldhoeveelheid geheel voor rekening komt van de groei van de hypotheekschuld, ligt voor de hand. Dit is grotendeels een juiste gevolgtrekking, maar niet helemaal. De commerciële banken hebben hun aandeel in de hypotheekschuld verminderd door een deel van de hypotheken te knippen, verpakken en vervolgens te verkopen aan zogenoemde Special Purpose Vehicles (SPV’s). De SPV’s verkochten vervolgens leningen aan beleggers met als dekking de hypotheken die waren gekocht van de commerciële banken. De internationale naam voor deze leningen is Collateralised Debt Obligations (CDO’s). CDO’s werden berucht doordat in de V.S. slechte hypotheken – uitgeleend aan mensen die gegarandeerd niet in staat waren om aan hun verplichtingen te voldoen- werden verpakt in CDO’s en verkocht aan beleggers over de hele wereld als prima beleggingen. Deze CDO’s waren een belangrijke oorzaak van de bankencrisis die begon in 2008.
De Nederlandse CDO’s zijn van een betere kwaliteit, want de betalingsmoraliteit van de Nederlanders is hoog. Vandaar dat de commerciële banken geen moeite hadden met de verkoop van hypotheken. Het bedrag van de verkochte (gesecuritiseerde) hypotheken groeide met 204 miljard euro van 2 miljard in 1995 tot 206 miljard euro in 2009. Daardoor was de netto digitale geldschepping voor hypotheken 411 miljard euro in 2009, of bijna twee-derde van de totale digitale geldschepping door commerciële banken. Het probleem hiermee is dat banken dit niet aan hun klanten vertellen. Het is dan ook niet te verdedigen, dat de klant denkt dat zijn bank de geldgever is, terwijl de bank in werkelijkheid niet meer dan een administratiekantoor is. Dit maakt het onderhandelen over wijzigingen in de condities er ook niet gemakkelijker op. Het zou logisch zijn als de rechter hiervoor een stokje zou steken, maar dit terzijde. 

De commerciële banken zijn verantwoordelijk voor de enorme groei van de digitale geldhoeveelheid. Om te voorkomen dat het uit de hand liep hebben ze een behoorlijk deel van de hypotheken ondergebracht bij beleggers door ze op te knippen, te verpakken en te verkopen. Alles voor het eigen -risicoloze- gewin. Uiteindelijk heeft de meerderheid van de Nederlandse huishoudens niet geprofiteerd van de groei van de digitale geldhoeveelheid. In het voorgaande is aangetoond dat alleen de rijkste 20% erop vooruit is gegaan en de minst vermogende 50% niet, ondanks de toename van het 'eigen' woningbezit.

 

Woningen en hypotheken

De gemiddelde prijs van alle typen woningen is meer dan vervijfvoudigd tussen 1985 en 2009, terwijl het modale inkomen in diezelfde periode zelfs niet verdubbelde en nauwelijks meer groeide dan de inflatie. Geen wonder dat de betaalbaarheid van woningen steeds minder is geworden en dat een steeds groter deel van het inkomen aan woonlasten wordt uitgegeven. Evenals in de V.S., is het tweeverdienersschap ontstaan uit noodzaak en niet uit vrije wil (samen werken om de woning te betalen). Waarom zijn de woningprijzen zo sterk gestegen? Veel sterker in elk geval dan de modale inkomens? Hieraan blijken meerdere factoren te hebben bijgedragen:

1. hoge grondprijzen
2. strengere eisen aan de bouwmaterialen
3. betere kwaliteit van de bouw
4. een beweging vanuit het lagere segment naar het middensegment
5. waardoor er een frictie ontstond in het middensegment tussen vraag en aanbod
6. grondspeculatie
7. rendementseisen van de aannemers
8. rendementseisen van de beleggers
9. rente inkomsten van de commerciële banken
10. omzet van de financiële dienstverleners (makelaars, hypotheekadviseurs)
11. fiscale facilitering door renteaftrek op woninghypotheken


Er kan daarom niet worden gesteld dat banken de enige aanstichters waren van het drama waarin ‘de eigen woning’ is ontaard. Wel hebben commerciële banken een belangrijk deel van hun winsten behaald uit de hypotheekverlening. De ontwikkeling van de vermogensverdeling tussen 1993 en 2012 geeft echter ontegenzeggelijk aan wie er vooral hebben geprofiteerd van de geldschepping door schuld van de banken. Dat zijn niet de banken zelf, maar een beperkt aantal particuliere huishoudens. Banken zijn het instrument dat het herverdelingsmechanisme in beweging houdt.


De geldwaarde van alles wat er in een land in een jaar wordt geproduceerd aan goederen en diensten wordt tot uitdrukking gebracht in het Bruto Binnenlands Product (BBP). Het BBP van Nederland is gegroeid met 373 miljard euro, van 200 miljard in 1985 tot 573 miljard euro in 2009. Het BBP is dus iets minder dan verdrievoudigd in de periode tussen 1985 en 2009. De stijging van het modale inkomen is hierbij achtergebleven. In begrijpelijk Nederlands betekent dit, dat het aandeel van de inkomens uit loon in het BBP minder is geworden. Ook in dit opzicht wijkt de ontwikkeling in Nederland niet af van die in de VS, want wat de mensen met loon niet ontvangen gaat naar de rente- en dividendtrekkers toe.

Het voorgaande wordt in de onderstaande grafiek overzichtelijk weergegeven:

Ontwikkeling van de bijdrage van banken aan de geldhoeveelheid,
het BBP, inkomen, woningprijzen en hypotheekschuld in Nederland (trendanalyse, 1985 = 100)
Trendanalyse M2 Bbp En

© Ad Broere
trendanalyse, basisjaar 1985,bronnen DNB en CBS
Digitaal: digitale geldhoeveelheid, gecreëerd door private banken (staat gelijk aan de hoeveelheid schuld)
BBP: bruto binnenlands product tegen marktprijzen
Inkomen: modale bruto jaarinkomen
Inflatie: gemiddelde inflatie 2,1% per jaar
Woningen: de nominale waarde van de gemiddelde prijs van alle woningtypen
Hypotheken 1: de totale hypotheekschuld van Nederlandse huishoudens
Hypotheken 2: de hypotheekschuld van Nederlandse huishoudens min het bedrag van gesecuritiseerde hypotheken

Wonen is een primaire levensbehoefte, die niet moet worden overgelaten aan het marktmechanisme. De voorgaande analyse maakt dit duidelijk. Hoe zou het anders, beter kunnen dan nu het geval is?


het belang van een rentevrije economie


Het Burgerinitiatief Ons Geld wijst op de instabiliteit die wordt veroorzaakt doordat private ondernemingen (banken) een dominant aandeel hebben in de geldhoeveelheid. De digitale geldhoeveelheid maakt ongeveer 94% uit van de som van de hoeveelheid chartaal geld (papiergeld en munten) en digitaal geld. Banken scheppen geld op basis van hun winstdoelstelling en verlagen tegelijkertijd zoveel mogelijk de risico’s verbonden aan deze geldschepping. Uit de onderstaande tabel wordt duidelijk dat banken in een crisisperiode pas op de plaats maken en in een opgaande periode verhoudingsgewijs veel geld scheppen, aanzienlijk meer dan de groei van de economie, uitgedrukt in het BBP rechtvaardigt. Uitgerekend in een periode dat de economie een stimulans nodig heeft om uit de crisis te komen, zijn de commerciële banken voorzichtig. Logisch, want het risico op verliezen is groter in een crisisperiode dan in een hoogconjunctuur. De ondernemingsdoelstelling van banken is dus niet ‘in lijn’ met die van de samenleving.

Binnenlandse Geldhoeveelheid 2

© Ad Broere


Hoe zou de ondernemingsdoelstelling van banken wel in overeenstemming met die van de samenleving kunnen worden gebracht? De grootste belemmering om dit te kunnen realiseren zit in het verdienmodel van commerciële banken. Dit verdienmodel is gebaseerd op de hoeveelheid leningen en kredieten. Hoe hoger het door de bank uitgeleende bedrag hoe hoger het inkomen, dat is gebaseerd op de marge tussen de rente op het uitgeleende geld en het ingeleende geld. Daarmee bedoel ik dat hoe meer er krediet wordt verleend, hoe hoger het inkomen van banken is. Ongeveer 80% van het bankinkomen wordt op deze wijze gerealiseerd, de overige 20% op basis van provisies en commissies. Om banken minder afhankelijk te maken van de hoeveelheid uitgeleend geld, zou het verdienmodel moeten worden gewijzigd van geldgerelateerd naar diensten gerelateerd (adviesuren, administratie- en beheeruren, computeruren). In dat geval wordt de kwaliteit van de dienstverlening belangrijker dan de hoeveelheid uitgeleend geld en komt er ruimte om de geldstromen te gaan sturen naar die sectoren die bijdragen aan een in de breedte goed functionerende economie en daardoor een samenleving waarin de welvaart beter wordt gespreid. Kortom een rentevrije economie zal ons helpen om uit de impasse te komen.


© Ad Broere, 26 mei 2015

Ad Broere
webdesign by vincken.eu